ECLI:NL:PHR:2024:870

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
31 augustus 2024
Zaaknummer
22/02115
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens onbevoegdheidsverweer buitengewoon opsporingsambtenaar bij snelheidsovertreding

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor een snelheidsovertreding met een geldboete en een rijontzegging. In hoger beroep stelde de verdachte dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) die het proces-verbaal opstelde niet bevoegd was tot de opsporingshandelingen. Het hof liet dit standpunt echter in het midden omdat de verdachte dit niet voldoende had onderbouwd.

In cassatie klaagde de verdachte over deze beslissing, maar de procureur-generaal stelde dat het middel faalt omdat de verdachte geen concreet en onderbouwd verweer voerde over de gevolgen van de vermeende onbevoegdheid van de BOA. Daarnaast werd opgemerkt dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar gezien de lage geldboete was dit niet reden voor vernietiging.

De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De Hoge Raad volgt dit advies en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van het gerechtshof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor snelheidsovertreding blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02115

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 3 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens
"overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990", veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair veertien dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de verdachte een rijontzegging opgelegd voor de duur van zestig dagen, waarvan 51 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of de verbalisant bevoegd was tot het opmaken van het proces-verbaal, terwijl de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat de buitengewoon opsporingsambtenaar onbevoegd was tot het verrichten van de opsporingshandelingen die aanleiding hebben gegeven tot de vervolging.
4. De verdachte heeft, zo volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, het volgende verklaard over de (bevoegdheid van de) buitengewoon opsporingsambtenaar:
“De dame die mij heeft aangehouden is een BOA. Zij heeft mij niet achtervolgd. In mijn optiek heeft zij de meting gestart op het moment dat ik al 800 meter voor haar reed. Om mij staande te kunnen houden, heeft zij 160 kilometer per uur moeten rijden om zo de afstand tussen mij en haar te overbruggen. In mijn binnenspiegel heb ik haar zien komen aanrijden. Dat was met grote snelheid. Ik kan zelf die snelheid niet hebben gereden. Bovendien betreft het hier een BOA. Zij heeft helemaal geen bevoegdheid om iemand op deze wijze te achtervolgen. Ik ben in hoger beroep gegaan uit principe en omdat ik geen aantekening wil op mijn strafblad."
5. Het hof heeft mondeling arrest gewezen. In de aantekening van het mondelinge arrest is met betrekking tot het door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal (onder het kopje “Ter terechtzitting gevoerd verweer”) als volgt overwogen:
“In het proces-verbaal van overtreding wordt gerelateerd dat over een afstand van 1100 meter (en met een meetafstand van 150 meter) de snelheid is gemeten. Het betreft een ambtsedig opgesteld proces-verbaal en het hof heeft geen reden om aan te nemen dat dit proces-verbaal onjuist zou zijn.”

De bespreking van het middel

6. Het hof heeft geen separate bewijsoverweging gewijd aan de bevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt. Kennelijk heeft het hof hetgeen daaromtrent door de verdachte is aangevoerd niet als een zelfstandig responsieplichtig standpunt aangemerkt. Dat is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Door de verdachte is op dit punt namelijk alleen naar voren gebracht dat de buitengewoon opsporingsambtenaar
“helemaal geen bevoegdheid [had] om iemand op deze wijze te achtervolgen.”Een nadere onderbouwing van dit standpunt ontbreekt en niet duidelijk is gemaakt waartoe die onbevoegdheid dient te leiden. Om deze redenen moet het middel (reeds) falen.

Slotsom

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
8. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, is overschreden. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde geldboete, te weten een geldboete waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder dan € 1.000 beloopt, kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
9. Ik heb geen andere ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG