ECLI:NL:PHR:2024:869

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
30 augustus 2024
Zaaknummer
22/04249
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 36b lid 2 SvArt. 36e lid 2 SvArt. 36h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen schriftuur na rechtsgeldige aanzegging

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens mishandeling en wederspannigheid. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn tijdig bij de Hoge Raad ingediend en de verdachte is schriftelijk aangezegd conform art. 435 lid 1 Sv Pro.

De raadsman van de verdachte stelde dat de aanzegging niet rechtsgeldig was betekend omdat niet bleek dat de aanzegging was uitgereikt aan de bevoegde autoriteit en dat geen afschrift was verzonden naar het adres van de verdachte, zoals voorgeschreven in art. 36e lid 2 Sv. Dit zou ook strijd opleveren met art. 6 EVRM Pro.

De procureur-generaal onderzocht de feitelijke grondslag en concludeerde dat de aanzegging rechtsgeldig was betekend. Uit de akte van uitreiking bleek dat de aanzegging was uitgereikt aan het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad en dat een afschrift was verzonden naar het BRP-adres van de verdachte. Hiermee ontbrak de grondslag voor het verweer van de raadsman.

Omdat de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de termijn van 60 dagen na aanzegging heeft ingediend, is hij niet-ontvankelijk in zijn beroep. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie na rechtsgeldige aanzegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04249

Zitting10 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 november 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "de eendaadse samenloop van wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben en mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak zijn de stukken van het geding op 12 september 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De binnenkomst van de stukken is de verdachte op grond van art. 435 lid 1 Sv Pro schriftelijk aangezegd. Namens de verdachte is binnen de in art. 437 lid 2 Sv Pro neergelegde termijn van 60 dagen geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Wel heeft de raadsman van de verdachte in cassatie, W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, met een schriftuur gereageerd op de mededeling van de rechtsdag als bedoeld in art. 436 Sv Pro.
De raadsman stelt in zijn schriftuur dat niet blijkt dat de aanzegging is uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan en dat evenmin blijkt dat een afschrift van de aanzegging is verzonden naar het adres van de verdachte, zoals art. 36e lid 2 aanhef en onder sub b Sv onder de gegeven omstandigheden voorschrijft. Dat betekent volgens de raadsman dat de aanzegging niet rechtsgeldig is betekend en opnieuw moet worden betekend. Daarnaast levert het niet opnieuw betekenen van de aanzegging volgens de raadsman strijd op met art. 6 EVRM Pro. Ik zal hierna eerst ingaan op de vraag of de aanzegging rechtsgeldig is betekend.

De rechtsgeldigheid van de betekening van de aanzegging

4. Op grond van art. 437 lid 2 Sv Pro is de verdachte verplicht binnen twee maanden nadat hem overeenkomstig art. 435 lid 1 Sv Pro is aangezegd dat de stukken van het geding door de Hoge Raad zijn ontvangen, een schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen. Als de verdachte dit verzuimt, is hij niet-ontvankelijk in het door of namens hem ingestelde beroep in cassatie. De aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad opgedragen aanzegging aan natuurlijke personen moet plaatsvinden door middel van betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv. De betekening moet voldoen aan de voorschriften van art. 36e Sv. [1]
5. Art. 36e Sv luidt voor zover hier van belang:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.
[…]”
6. Uit de ‘Akte van uitreiking’ die hoort bij de aanzegging van 13 oktober 2023 blijkt dat in deze zaak tevergeefs is geprobeerd de aanzegging aan de verdachte uit te reiken op het adres waarop de verdachte bij de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven als ingezetene. Daarom moest de aanzegging op grond van art. 36e lid 2 aanhef en sub b Sv worden uitgereikt aan (een medewerker van) het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Uit de bij de aanzegging van 1 november 2023 behorende ‘Akte van uitreiking’, die door een vergissing pas aan de raadsman is toegezonden nadat hij voornoemde schriftuur had ingediend, blijkt dat deze uitreiking weldegelijk heeft plaatsgevonden. Ook blijkt uit dit stuk dat een afschrift van de aanzegging is verzonden naar het eerder bedoelde BRP-adres. Dat wat de raadsman heeft aangevoerd over de niet rechtsgeldige betekening van de aanzegging mist daarmee feitelijke grondslag.

Schending art. 6 EVRM Pro zonder nieuwe betekening?

7. Het standpunt van de raadsman dat het niet opnieuw betekenen van de aanzegging voorts strijd oplevert met art. 6 EVRM Pro is – als ik de schriftuur goed begrijp – gebaseerd op de veronderstelling dat de verdachte (door ingeschreven te zijn in de BRP) de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de aanzegging hem niet zou bereiken, maar dat aan zijn BRP-adres vervolgens geen afschrift van de aanzegging is gezonden waardoor onvoldoende inspanningen zijn verricht om ervoor te zorgen dat de aanzegging de verdachte daadwerkelijk bereikt. Uit hetgeen hiervoor onder 6 is opgemerkt, blijkt dat dit afschrift wel degelijk is verzonden, zodat hetgeen door de raadsman daaromtrent is aangevoerd (eveneens) feitelijke grondslag mist.

Slotsom

8. Nu de betekening van de aanzegging rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, waarbij ook voldoende inspanningen zijn verricht om ervoor te zorgen dat de aanzegging de verdachte daadwerkelijk bereikt, maar namens de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend binnen de in art. 437 lid 2 Sv Pro neergelegde termijn, kan de verdachte niet worden ontvangen in zijn beroep in cassatie.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zo ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,