ECLI:NL:PHR:2024:869
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen schriftuur na rechtsgeldige aanzegging
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens mishandeling en wederspannigheid. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn tijdig bij de Hoge Raad ingediend en de verdachte is schriftelijk aangezegd conform art. 435 lid 1 Sv Pro.
De raadsman van de verdachte stelde dat de aanzegging niet rechtsgeldig was betekend omdat niet bleek dat de aanzegging was uitgereikt aan de bevoegde autoriteit en dat geen afschrift was verzonden naar het adres van de verdachte, zoals voorgeschreven in art. 36e lid 2 Sv. Dit zou ook strijd opleveren met art. 6 EVRM Pro.
De procureur-generaal onderzocht de feitelijke grondslag en concludeerde dat de aanzegging rechtsgeldig was betekend. Uit de akte van uitreiking bleek dat de aanzegging was uitgereikt aan het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad en dat een afschrift was verzonden naar het BRP-adres van de verdachte. Hiermee ontbrak de grondslag voor het verweer van de raadsman.
Omdat de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de termijn van 60 dagen na aanzegging heeft ingediend, is hij niet-ontvankelijk in zijn beroep. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie na rechtsgeldige aanzegging.