De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor schuldwitwassen en kreeg een taakstraf opgelegd, nadat de rechtbank hem vrijsprak. In cassatie zijn twee middelen voorgesteld: het eerste betrof de kwalificatie van schuldwitwassen met betrekking tot een perceel grond dat afkomstig zou zijn uit eigen misdrijf; het tweede betrof het aanvangsmoment van de redelijke termijn.
De procureur-generaal stelt dat het eerste middel faalt omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat het geld waarmee het perceel werd gekocht deels afkomstig was van misdrijven van derden, niet van de verdachte zelf, en dat de verdachte meer heeft gedaan dan enkel het voorhanden hebben van het geld. Het tweede middel faalt omdat de aanhouding van de verdachte, hoewel in Andorra, niet wezenlijk afwijkt van het door het hof gehanteerde aanvangsmoment van de redelijke termijn, en het belang van de verdachte bij deze klacht niet is aangetoond.
De conclusie is dat beide middelen falen en dat er geen aanleiding is tot vernietiging van het arrest. De procureur-generaal adviseert het cassatieberoep te verwerpen.