Conclusie
Nummer22/00899
Inleiding
namens de [verdachte]” bepaaldelijk was gevolmachtigd door K.J. Breedijk, advocaat te Tilburg, optredend als advocaat van de maten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Bij schriftuur heeft mr. Breedijk één middel van cassatie voorgesteld.
De in cassatie vaststaande feiten
“4.1 Inleiding
[betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 3] onbeperkt bevoegde maten van de maatschap.
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
[betrokkene 4] en [betrokkene 1] hebben ter terechtzitting in hoger beroep allebei verklaard dat de vijf maten niet in goede overeenstemming uit elkaar zijn gegaan en dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] enerzijds en [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] anderzijds ten tijde van de procedure in eerste aanleg al geen contact meer met elkaar hadden. Zij hebben dus ook geen contact gehad over het al dan niet instellen en laten intrekken van het hoger beroep.
Oordeel van het hof
namens” de verdachte, zulks op verzoek van de maten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . In het dossier bevindt zich ook een e-mailbericht d.d. 22 maart 2022 van H.M.G. Peters, advocaat te Utrecht, waarin zij namens de maten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] bezwaar maakt tegen het ingestelde cassatieberoep.
De toelichting op het middel
Beoordelingskader
Bijzondere overeenkomsten’). De maatschap verschilt echter wezenlijk van andere bijzondere overeenkomsten, omdat de maatschap is gericht op “
samenwerking tot een gemeenschappelijk doel.” [5] De maatschap is geen rechtspersoon. [6]
het eindevan de maatschap [8] maar wel
het beginvan de vereffening. Dit houdt in dat de verplichting tot inbreng vervalt en dat het vermogen van de maatschap moet worden vereffend. De lopende zaken moeten worden afgewikkeld en de boedel moet in een toestand worden gebracht waarin deze kan worden verdeeld. [9]
ontbondenmaatschap is titel 7 van Boek 3 BW (‘Gemeenschap’) van toepassing. Krachtens artikel 3:189 BW Pro is de ontbonden maatschap een bijzondere gemeenschap. [11] Titel 7 bestaat uit drie afdelingen. Afdeling 1 (‘Algemene bepalingen’) is van toepassing op de ontbonden gemeenschap, voor zover daarvan in afdeling 2 (‘Enige bijzondere gemeenschappen’) niet wordt afgeweken.
beheervan de ontbonden maatschap c.q. de bijzondere gemeenschap dat dit geschiedt door
alledeelgenoten gemeenschappelijk. Ook wordt een deelgenoot bij handelingen, die hij krachtens lid 1 en lid 2 van dit artikel zelfstandig verricht, bevoegd geacht de overige deelgenoten te vertegenwoordigen. [12] Artikel 3:170 luidt Pro:
1. Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te stuiten.2. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties.3. Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan in de vorige leden vermeld, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.”
iederedeelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap:
Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.”
ten behoeve van de gemeenschap”.
Toepassing van het juridisch kader op de zaak
iedervan de deelgenoten is zelfstandig bevoegd;
tezamenbevoegd.
instellenen (ii) het
intrekkenvan rechtsmiddelen moeten worden geschaard.
hetzelfdevertegenwoordigingsregime van toepassing is, ongeacht of dat regime (1) of regime (2) betreft. Kortom,
alseen deelgenoot (al dan niet uitsluitend tezamen met de andere deelgenoten) bevoegd is tot het instellen van rechtsmiddelen,
danis hij (al dan niet uitsluitend tezamen met de andere deelgenoten) ook bevoegd tot het intrekken ervan, en vice versa. Ik zie geen goede reden waarom het
instellenvan rechtsmiddelen in dit verband anders moet worden behandeld dan het
intrekkenvan rechtsmiddelen en dus waarom op het instellen van rechtsmiddelen een ander vertegenwoordigingsregime van toepassing zou zijn dan op het intrekken van rechtsmiddelen.
het indienen van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap” en het intrekken van rechtsmiddelen
niet. Ik ben een andere opvatting toegedaan. Aangenomen dat het instellen van rechtsmiddelen inderdaad onder de genoemde rubriek kan worden geschaard, kan het intrekken van rechtsmiddelen zulks evengoed. Ook het intrekken van rechtsmiddelen strekt – in dat geval – immers ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, te weten: een
onherroepelijkeuitspraak.
intrekkenvan het hoger beroep, dan waren zij (ná de ontbinding van de maatschap) evenmin bevoegd tot het
instellenvan hoger beroep. Noch waren slechts drie van de vijf deelgenoten in dat geval bevoegd tot het instellen van
cassatieberoep.
dooren
ten behoeve vande (voormalige) maatschap jegens derden zijn ingesteld. Het instellen en intrekken van rechtsmiddelen betreft bovendien louter processuele verrichtingen in procedures die tegen de (voormalige) maatschap zijn aangespannen, waarbij deze verrichtingen – gelet op de voor het instellen van rechtsmiddelen geldende termijnen –
enig(maar uiteraard geen onbeperkt) uitstel kunnen lijden.
uitdrukkelijkdoor (of namens) – slechts – drie van de vijf deelgenoten van de gemeenschap (de ontbonden maatschap) cassatieberoep ingesteld. Dit betekent dat in deze zaak geen rechtsgeldig cassatieberoep is ingesteld, terwijl er in dit geval geen reden is om aan te nemen dat dit verzuim zich leent voor herstel (bijvoorbeeld doordat de overige twee deelgenoten zich alsnog bij het drietal deelgenoten aansluiten). Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk.