Conclusie
Nummer22/01394
Inleiding
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. "
ruimten voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”, 4. “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie” en 5. “
witwassen” [1] veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
De bewijsconstructie van het hof
Het eerste middel
De bespreking van het eerste middel
dat bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de 31,896 kilo hennep en dat deze hennep zich in de machtssfeer van verdachte bevond. Daarbij heeft het hof tevens acht geslagen op de verklaring die verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, waaruit blijkt dat verdachte wist dat er hennep in de woning aan de [a-straat 1] aanwezig was en dat deze hennep, naar zijn zeggen, bestemd was voor de productie van CBD-olie. Dat verdachte wist dat er hennep in de woning aanwezig was, maar dat hij niet precies wist hoeveel, heeft hij op de terechtzitting van het hof herhaald. Verdachte heeft voorts verklaard dat niet hij, maar anderen zich bezighielden met de productie van deze olie, en dat ze bij hem de ruimte hadden om de olie te maken. Daaruit leidt het hof af dat verdachte wist dat de zolder van de woning bestemd was tot het plegen van strafbare feiten in de zin van de Opiumwet.”
er dertig kilo hennep lag”, afgezet tegen de toevoeging van het hof dat het “
geen reden heeft om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen te twijfelen”. Hierover het volgende.