Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
3.Het middel
valsheidvan de betreffende facturen en dat uit de verklaring niet volgt dat de verdachte het bestaan van de facturen heeft ontkend.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte was bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. Het hof heeft bewezen verklaard dat de vennootschap in 2009 meerdere keren opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften loonheffing heeft gedaan, waardoor te weinig belasting werd geheven. De verdachte heeft hieraan feitelijk leiding gegeven en had wetenschap van de onjuistheid van de aangiften.
Het bewijs bestond uit onder meer correspondentie met de Belastingdienst, getuigenverklaringen van een administratief medewerker en een controlerend belastingambtenaar, en onderzoek naar de loonadministratie en valse facturen van [B] B.V. De verdachte was als contactpersoon vermeld op de aangiften en voerde telefonisch overleg met de Belastingdienst.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet actief betrokken was bij de aangiften en geen wetenschap had van de onjuistheden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze verweren met voldoende motivering heeft verworpen. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften onjuist en onvolledig zouden worden gedaan.
Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van het hof blijft in stand. Er zijn geen gronden voor vernietiging of herziening van het arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.