Conclusie
Nummer22/02785
Inleiding
Het eerste middel
4. Proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juli 2021 (dossierpagina’s 9 tot en met 10), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens wederrechtelijk binnendringen en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, waarbij hij een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één week kreeg opgelegd. Het cassatieberoep richtte zich op twee middelen: het niet voldoen aan het bewijsminimumvereiste en het ontbreken van een feitelijke grondslag voor het oordeel dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op het verhoor van de verdachte, waarin hij de bedreigende woorden uitte, en de verklaring van de aangever die zich bedreigd voelde. Het hof concludeerde dat de bedreiging gericht was op de aangever, mede gelet op de agressieve gedragingen van de verdachte voorafgaand aan de aanhouding. Tevens oordeelde het hof dat de bedreiging voldoende stellig was om redelijke vrees te rechtvaardigen.
De Hoge Raad stelde vast dat het bewijsminimumvereiste van artikel 342 lid 2 Sv Pro betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op afzonderlijke onderdelen. Het middel faalt daarom. Ook het tweede middel faalt omdat het hof de context van de bedreiging voldoende heeft betrokken bij zijn oordeel dat redelijke vrees kon ontstaan. De Hoge Raad constateert voorts dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar ziet geen aanleiding tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat verdachte veroordeelde voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht blijft in stand.