ECLI:NL:PHR:2023:947

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
21/04196
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SrArt. 10 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling wegens smaadschrift ondanks beroep op vrijheid van meningsuiting

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens smaadschrift, gepleegd door het verspreiden van lasterlijke berichten op Facebook over een oud-politicus en voormalig verkoper van een perceel grond met verontreinigingen. De berichten bevatten beschuldigingen van strafbare feiten zoals valsheid in geschrifte, fraude en milieucriminaliteit, en werden openbaar gemaakt met het doel ruchtbaarheid te geven.

De verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onjuist was, dat de uitlatingen beschermd werden door het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM Pro) en dat zij te goeder trouw handelde in het algemeen belang (art. 261 lid 3 Sr Pro). De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht oordeelde dat de uitlatingen smadelijk zijn en dat de bescherming van de privacy en reputatie van de aangever zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting, mede vanwege de hardnekkigheid en herhaling van de beschuldigingen over meerdere jaren.

Ook het beroep op de strafuitsluitingsgrond faalt omdat de verdachte niet te goeder trouw kon aannemen dat het algemeen belang de telastlegging eiste. Het hof motiveerde dat minder vergaande middelen beschikbaar waren om misstanden aan de kaak te stellen zonder de eer en goede naam van de aangever te schaden. De Hoge Raad vindt geen aanleiding tot vernietiging en verwerpt het cassatieberoep.

Deze uitspraak bevestigt dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet onbeperkt geldt en dat herhaalde smaadschriftelijke uitingen die de reputatie van een persoon schaden, ondanks maatschappelijke discussie, strafbaar kunnen zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens smaadschrift blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04196
Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 24 september 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 “Smaadschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met een proeftijd van drie jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring onder 1 van smaadschrift.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij op tijdstippen in de periode van 14 juli 2016 tot en met 24 maart 2017 in Nederland, opzettelijk, de eer en de goede naam van [aangever] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeelding(en) verspreid, openlijk tentoongesteld door telkens opzettelijk en met voormeld doel via openbare sociale media, te weten facebook, meer berichten en afbeeldingen verspreid met - onder andere en zakelijk weergegeven - de volgende inhoud:
- (Facebook juli 2016) 'en waarom niet' omdat die saneerder zoal een oud-politicus Gemeente [plaats ] is? Terwijl een illegale sanering sowieso een economisch milieu delict, welk bovendien voorziet in financieel economische en gezondheidsschade van mens & dier?; Een provincie is toch verplicht sowieso aangifte tegen een dergelijk illegale saneerder te doen?? en
- (Facebook juli 2016) 'vanaf 2013 doe ik namelijk aangiften tegen eenzelfde zowel natuurlijk alsook rechtspersoon (d.w.z. bestuurder, annex directeur annex voorzitter annex penningmeester annex saneerder, annex etc), kortom een zeer veelzijdig persoon welk eigenlijk een voorbeeldfunctie dient, maar dat al sinds 1998 beduidend telkens aanhoudend blijkt te verzaken, waarvan talrijke schriftelijke bewijslast! Deze aangiften voorzien zoal op valsheid in geschrifte, fraude, subsidie gemeenschapsgeld, verduistering, meineed in getuigenverhoor, verzwijging van talrijke gemeenschapsgeld inkomstenbronnen etc? en
- (Facebook oktober 2016) ) 'nadat een oud politicus welzijnszaken annex milieuvoorvechter in staat blijkt geweest, uit puur persoonlijk financieel gewin gifgrond als zoal bouwkavel met bouwplichten & geschikt voor kinderen & grazend vee te verkopen. En dan bovendien nog eens die gifgrond ernstig verontreinigd heeft uit puur verkoopwinstbehoud, met een zogenaamde afdeklaag van zoal dezelfde ernstig verontreinigde gifgrond! En of het daarmee persoonlijk financieel gewin dan kennelijk nog altijd niet toereikend, toen ook nog eens met subsidies daarvan gefraudeerd & deze verduisterd heeft! en
- (Facebook januari 2017) 'en omdat een oud PVDA wethouder welzijnszaken en raadslid, uit persoonlijk financieel gewin (volkomen aantoonbaar), ons in 1998 (terwijl jong gezin) ernstig verontreinigde stortplaatspercelen heeft verkocht" en
- (Facebook maart 2017) 'het is uiteraard volstrekt ontoelaatbaar (ook wettelijk), een provincie ervoor kiest niet handhavend en strafrechtelijk op te treden tegen milieucriminaliteit, in 1997 en 1998 divers gepleegd door een oud PvdA wethouder welzijnszaken'.”
2.3
Het hof heeft over deze bewezenverklaring overwogen:
“Feit 1, context van de zaak
Verdachte heeft in 1998 van aangever een perceel grond met daarop onder andere een woning gekocht en is deze woning vervolgens met haar gezin gaan bewonen. In 2012 heeft zij het voornemen gehad percelen grond weer te verkopen waarna uit een in verband daarmee uitgevoerd bodemonderzoek is gebleken dat het perceel ernstig verontreinigde grond bevatte. Verdachte heeft daarop juridische procedures aangespannen tegen verdachte, kort gezegd stellende dat hij zijn informatieplicht heeft geschonden door niet bij de verkoop aan haar van de bewuste percelen melding te maken van deze verontreinigingen. Verdachte is tot in hoger beroep -overwegend- in hel gelijk gesteld en aangever is veroordeeld lot het betalen van schadevergoeding.
Verdachte heeft onder andere op facebook sinds 2013 in diverse berichten - kort samen gevat - ervan melding gemaakt dat zij en haar gezin daardoor - onwetend-jarenlang op verontreinigde grond hebben gewoond en verslag gedaan van haar juridisch strijd daarover.
Op 8 oktober 2015 is verdachte ter zake smaadschrift jegens aangever veroordeeld door de politierechter, zonder oplegging van straf of maatregel.
Op 7 februari 2017 heeft aangever opnieuw aangifte van smaad en belediging, stellende dat verdachte door blijft gaan met uitingen op sociale media over voornoemde kwestie.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Aangever heeft bij zijn aangifte van 7 februari 2017 een lijst gevoegd met berichten die aldus aangever door verdachte op Facebook zijn geplaats in onder andere 2016 en 2017. Een selectie daarvan is opgenomen in de tenlastelegging onder feit I. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof erkend dat deze berichten van haar afkomstig zijn. Ten aanzien van de berichten (zoals opgenomen in de bewezenverklaring) volgt ook uit de tekst dat deze in 2016 of 2017 zijn geplaatst. Het hof is van oordeel dat daarmee genoegzaam vaststaat dat de in de bewezenverklaring opgenomen berichten in de bewezenverklaarde periode zijn geplaatst.
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde overweegt het hof dat de door de verdachte gedane uitlatingen, gelet op de bewoordingen waarin zij zijn gedaan, zonder meer als smadelijk kunnen worden ervaren door degene op wie de uitlatingen betrekking heeft. De berichten gaan namelijk over beschuldigingen van strafbare feiten, zoals illegale sanering, valsheid in geschrift, fraude en verduistering, welke beschuldigingen de integriteit van [aangever] aantasten. Door het (in combinatie) noemen van verschillende (politieke) functies (zoals oud-politicus van [plaats ] ) die aangever heeft bekleed, is het evident dat de uitlatingen betrekking hebben op [aangever] en moet verdachte zich hebben gerealiseerd dat dit ook voor anderen kenbaar was.
Met het plaatsen op sociale media heeft verdachte de uitlatingen ter kennis van het publiek gebracht en er daarmee ruchtbaarheid aan gegeven. Ook buiten haar Facebookvriendenkring om konden anderen er kennis van nemen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij het belangrijk vond dat zoveel mogelijk mensen op de hoogte zijn van de handelwijze van [aangever] en bepaalde overheidsinstanties, waaruit het hof concludeert dat verdachte juist de berichten heeft geplaatst met het doel om er ruchtbaarheid aan te geven. Het verweer van de raadsman dat de berichten niet op een openbare facebookpagina zijn geplaatst en dat dan ook niet is voldaan aan het bestanddeel ‘ruchtbaarheid geven’ volgt het hof dan ook niet.
De uitlatingen zoals vermeld onder feit 1 en het vijfde en zevende gedachtestreepje - het bericht op Facebook januari 2017 en het bericht op Twitter februari 2017 – acht het hof niet bewezen, omdat [aangever] in deze berichten niet wordt beschuldigd van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging. Daardoor kan niet gezegd worden dat de verdachte in deze berichten [aangever] een bepaald feit ten laste heeft gelegd. Het hof zal verdachte van deze onderdelen vrijspreken.”
2.4
In de schriftuur is tegen de bewezenverklaring kort gezegd aangevoerd:
(i) dat uit de bewezenverklaring niet volgt dat de verdachte de teksten in 2016 en/of 2017 heeft geplaatst, zoals het hof wel heeft overwogen;
(ii) dat het oordeel van het hof dat de teksten in 2016 en/of 2017 zijn geplaatst niet betekent dat de teksten ook in de bewezenverklaarde periode van 14 juli 2016 tot en met 24 maart 2017 zijn geplaatst;
(iii) dat de gedragingen onder de gedachtestreepjes 2 en 4 geen smaadschrift inhouden omdat zij geen concrete gedraging tegen een of meer aanwijsbare personen bevatten waarbij het gaat om ernstige feiten;
(iv) dat uit de teksten onder de gedachtestreepjes 1, 2, 3, 4 en 6 niet blijkt over wie zij gaan en dat dit uit het benoemen van ambten of hoedanigheden niet duidelijk wordt;
(v) dat de bewezenverklaring van opzet op het aanranden van de eer en goede naam innerlijk tegenstijdig is met de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte dat zij mensen wilde waarschuwen.
2.5
De klachten onder (i) en (ii) falen. Uit het arrest volgt wel degelijk dat de berichten van de verdachte zijn geplaatst in de bewezenverklaarde periode, dus van 14 juli 2016 tot en met 24 maart 2017. Ik verwijs daarbij – zonder die stukken hier verder letterlijk over te nemen – naar bewijsmiddel 2, 3 en 4 in de aanvulling met bewijsmiddelen, waarin de data van de berichten zijn opgenomen.
2.6
De klacht onder (iii) faalt ook. Bij alle vijf gedachtestreepjes in de bewezenverklaring gaat het evident om aantijgingen van strafbare feiten, te weten: (1) “een illegale sanering sowieso een economisch milieu delict, welk bovendien voorziet in financieel economische en gezondheidsschade van mens & dier”, (2) “valsheid in geschrifte, fraude, subsidie gemeenschapsgeld, verduistering, meineed in getuigenverhoor, verzwijging van talrijke gemeenschapsgeld inkomstenbronnen etc”, (3) “uit puur persoonlijk financieel gewin gifgrond als zoal bouwkavel met bouwplichten & geschikt voor kinderen & grazend vee te verkopen”, “die gifgrond ernstig verontreinigd heeft uit puur verkoopwinstbehoud, met een zogenaamde afdeklaag van zoal dezelfde ernstig verontreinigde gifgrond”, “met subsidies daarvan gefraudeerd & deze verduisterd heeft”, (4) “uit persoonlijk financieel gewin (volkomen aantoonbaar), ons in 1998 (terwijl jong gezin) ernstig verontreinigde stortplaatspercelen heeft verkocht” en (5) “milieucriminaliteit, in 1997 en 1998 divers gepleegd door een oud PvdA wethouder welzijnszaken”.
2.7
Ook de klacht onder (iv) slaagt niet. Uit de vaststellingen van het hof blijkt volstrekt duidelijk over wie de lasterlijke berichten gaan, namelijk de aangever [aangever] . Het oordeel van het hof dat het evident is dat de uitlatingen van de verdachte betrekking hebben op de aangever omdat verdachte verschillende functies van de aangever heeft genoemd, zoals oud-politicus van [plaats ] , lijkt mij in het geheel niet onbegrijpelijk.
2.8
Tot slot faalt ook de klacht onder (v). De bewezenverklaring van opzet op het aanranden van de eer en goede naam is niet “innerlijk tegenstijdig” met de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte dat zij mensen wilde waarschuwen. Een verdachte kan immers heel wel anderen waarschuwen op een wijze die als smaadschrift kan worden aangemerkt. Dat is door het hof in deze zaak vastgesteld en dat oordeel is niet innerlijk tegenstrijdig.
2.9
Het middel faalt in alle onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde strafbaar is.
3.2
Het hof heeft daarover in zijn arrest overwogen:
“De raadsman heeft bepleit dat verdachte van alle tenlastegelegde feiten vrijgesproken dient te worden, dan wel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte enkel gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 10 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
De raadsman voert aan dat een veroordeling voor het tenlastegelegde de vrijheid van meningsuiting van verdachte beperkt. Zij deed namelijk niets anders dan misstanden voor het voetlicht brengen en nam met het plaatsen van de berichten deel aan het maatschappelijke en publieke debat.
Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat haar berichten vallen onder de strafuitsluitingsgrond van artikel 261 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hiertoe heeft hij naar voren gebracht dat verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat hetgeen zij over aangever heeft opgemerkt waar was, en dat het algemeen belang de telastlegging eiste. Verdachte wilde een misstand aan de kaak stellen, onder andere bodemverontreiniging, het gedrag van bestuurders en hoe de overheid met haar burgers omgaat en in het kader daarvan zijn de uitlatingen gedaan. Verdachte is van mening dat zij met de berichten een hoger doel diende.
Door de advocaat-generaal is naar voren gebracht dat een beroep op artikel 261 lid 3 Sr Pro niet kan slagen en dat het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM Pro in dit geval beperkt mag worden.
Oordeel van het hof
Voor de beoordeling van deze zaak zijn de navolgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen van belang:
Art. 261 Wetboek Pro van Strafrecht
(....)
3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.
Artikel 10 EVRM Pro, dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, hel voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in de rechtspraak met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM Pro benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting één van de essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt. Artikel 10 EVRM Pro bevat echter geen absoluut recht op vrijheid van meningsuiting.
Het onder meer in art. 10 EVRM Pro gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van smaadschrift in de zin van art. 261, tweede lid, Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten - te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens smaadschrift of belediging, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.
Ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde stelt verdachte dat zij de beweringen heeft gedaan, omdat zij van mening is dat er vele misstanden zijn omtrent bodemverontreiniging, bodemsanering en de koopovereenkomst van haar voormalig perceel. Daarbij meent zij dat [aangever] strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en een groot aandeel heeft gehad in subsidiefraude en milieudelicten. Zij heeft hierover uitlatingen gedaan door het plaatsen van online berichten die de privacy en reputatie van [aangever] schaden. Het hof merkt daarbij op dat verdachte [aangever] al lange tijd (vanaf 2013) (mede op het internet en andere media) beschuldigt van verschillende feiten en dat [aangever] ook al eerder aangifte tegen verdachte heeft gedaan hetgeen in 2015 ook tot een onherroepelijke veroordeling wegens smaad heeft geleid. Verdachte toont zich zo hardnekkig in haar beschuldigingen en deze duren al meerdere jaren voort waarin ze telkens terugvalt op de geschiedenis tussen haar en [aangever] .
Daar staat tegenover dat waar het gaat om uitlatingen die een bijdrage leveren aan de maatschappelijke discussie, een beperking van het recht op de vrijheid van meningsuiting niet snel gerechtvaardigd is.
Het hof is van oordeel dat de jegens [aangever] gedane uitlatingen in essentie zijn terug te voeren op het feit dat door [aangever] in 1998 aan verdachte een perceel met verontreinigde grond is verkocht zonder dat zij van die verontreiniging op de hoogte was. Zij kwam daar pas in 2012 achter toen zij het betreffende perceel wilde verkopen. Verdachte heeft daarvan (vanaf 2013) in openbare media gewag gemaakt en daarbij ook melding gemaakt van de politieke functies van [aangever] . In die context kan niet zonder meer gezegd worden dat de uitlatingen - die kort na de ontdekking in 2012 dat [aangever] haar vervuilde grond had verkocht zijn gedaan - niet de bescherming van art. 10 EVRM Pro voor de vrijheid van meningsuiting verdienen. Naar het oordeel van het hof wordt dit anders nu zij voortgaat met het uiten van beschuldigingen aan het adres van [aangever] die in wezen eenzelfde strekking hebben. De nu bewezenverklaarde uitlatingen zijn jaren later gedaan en er is (ook gelet op de herhaling) niet langer een context die maakt dat haar uitlatingen beschouwd kunnen worden als uitingen die een bijdrage aan het publieke debat kunnen leveren.
Gelet hierop is het hol van oordeel dat de bescherming van de privacy en de reputatie van [aangever] zwaarder weegt dan het recht van verdachte op vrijheid van meningsuiting en dat artikel 10 EVRM Pro er niet aan in de weg staat dat verdachte wordt veroordeeld.
Ten aanzien van het beroep op artikel 261 lid 3 Sr Pro geldt het volgende:
Verdachte stelt dat ze te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste. Met de beschuldigingen die verdachte heeft gedaan moet echter een redelijk doel zijn gediend en daarnaast moet nagegaan zijn of minder vergaande middelen dat doel kunnen bewerkstelligen. De bewezenverklaarde uitlatingen over [aangever] zijn grievend en verdachte spreekt kwaad over hem. Vanwege de lange periode van beschuldigingen en het ontbreken van wezenlijke vernieuwing in de berichten - voor zover het gaat om de beschuldigingen richting [aangever] - is er geen sprake van een algemeen belang dat de telastlegging van de bewezenverklaarde uitlatingen eiste en verdachte heeft (mede gelet op haar eerdere veroordeling) ook niet te goeder trouw kunnen aannemen dat er wel sprake was van een algemeen belang.
De geplaatste berichten neigen eerder naar een persoonlijk belang van de verdachte in haar strijd tegen [aangever] dan dat het algemeen belang ermee gediend is. Weliswaar stelt verdachte dat zij (ook) opkomt voor (andere) zaken omtrent met name bodemverontreiniging waarin het openbaar bestuur niet juist optreedt maar uit de bewezenverklaarde uitlatingen blijkt echter dat de berichten (waarvan die uitlatingen deel uitmaken) mede zijn toegespitst op de persoon van [aangever] , terwijl verdachte minder vergaande middelen had kunnen gebruiken om mensen van (ook andere) zaken op de hoogte te stellen, namelijk zonder daarbij de goede naam en eer en privacy van [aangever] te schaden.
Het hof verwerpt de gevoerde verweren.”
3.3
In de schriftuur wordt tegen dit oordeel kort gezegd aangevoerd:
(i) dat onjuist is dat het enkele tijdsverloop maakt dat uitlatingen niet meer worden beschermd door art. 10 EVRM Pro en geen bijdrage aan het publieke debat meer inhouden;
(ii) dat onjuist is dat er door het enkele tijdsverloop en het ontbreken van wezenlijke vernieuwing in de berichten geen algemeen belang meer is dat de telastlegging van de bewezenverklaarde uitlatingen eiste;
(iii) dat onjuist is dat de verdachte (mede gelet op haar eerdere veroordeling) ook niet te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat er wel een algemeen belang was, nu een veroordeling niet maakt dat het algemeen belang aan de mededelingen ontvalt;
(iv) dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte minder vergaande middelen had kunnen gebruiken, nu de verdachte heeft aangevoerd “dat zij meermalen aangifte heeft gedaan; een provincieoverleg heeft georganiseerd met [aangever] ; de gemeente heeft gesproken; een civiele procedure heeft gehad; met de burgemeester heeft gesproken maar dat provinciejuristen en [aangever] evenwel in stukken nare dingen over verdachte zeggen zodat ze de vervuiling in haar schoenen kunnen schuiven en de overheid niet zo met burgers om hoort te gaan”;
(v) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de berichten heeft gepubliceerd in verband met het maatschappelijk debat.
3.4
De argumenten onder (i), (ii) en (iii) getuigen van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft in zijn arrest een combinatie van factoren genoemd waardoor niet kan worden gezegd dat de tenlastegelegde herhaaldelijke uitingen van de verdachte nog het maatschappelijk debat of het algemeen belang dienen. In dat kader heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte [aangever] al lange tijd (vanaf 2013) beschuldigt van verschillende feiten, in 2015 al is veroordeeld voor smaad, zich hardnekkig in haar beschuldigingen toont, deze al meerdere jaren voortduren, ze telkens terugvalt op de geschiedenis tussen haar en [aangever] , de beschuldigingen in wezen steeds dezelfde strekking hebben en de nu bewezenverklaarde uitlatingen jaren later zijn gedaan. In het licht van die vaststellingen is het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
3.5
Ook het argument onder (iv) getuigt van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft immers niet overwogen dat de verdachte in zijn algemeenheid minder vergaande middelen had kunnen gebruiken om in deze zaak maatregelen te nemen, maar dat de “verdachte minder vergaande middelen had kunnen gebruiken om mensen van (ook andere) zaken op de hoogte te stellen, namelijk zonder daarbij de goede naam en eer en privacy van [aangever] te schaden”. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat de verdachte onvoldoende maatregelen tegen misstanden heeft geprobeerd te nemen, maar dat de verdachte dit had kunnen doen zonder tot smaadschrift te vervallen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
3.6
Tot slot overtuigt ook het onder (v) aangehaalde argument niet. Dat uit bewijsmiddel 6 blijkt dat de verdachte ter terechtzitting van het hof het plaatsen van de berichten heeft verdedigd door te stellen dat zij mensen wil waarschuwen, dat zij dat voor het maatschappelijk debat doet, dat zij het belangrijk vindt anderen erop te wijzen en dat zij stelt dat het “belangrijk [is] dat het bevoegd gezag, instanties en andere mensen dat weten”, maakt nog niet dat de uitlatingen alleen vanwege die door de verdachte zelf daaraan gegeven kwalificatie binnen de sfeer van het publieke debat vallen of om die reden bescherming verdienen. Het hof heeft toereikend gemotiveerd waarom dat niet het geval is, terwijl uit de schriftuur niet blijkt waarom dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.
3.7
Het middel faalt in alle onderdelen.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG