ECLI:NL:PHR:2023:9

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
20 december 2022
Zaaknummer
21/04316
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring vernieling zwaar beschadigde ruit met opzet

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van een ruit die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde. De ruit was ten tijde van het incident al zwaar beschadigd en met tape en een plaat afgeplakt. De verdachte had met zijn hand op de hoek van het raam geklopt, waardoor het glas verder brak en naar binnen viel, wat het hof als vernieling en/of beschadiging kwalificeerde.

De verdediging voerde aan dat de ruit al kapot was en geen gebruikswaarde meer had, zodat geen sprake kon zijn van vernieling of beschadiging in de zin van art. 350 Sr Pro. Ook werd betoogd dat de verdachte geen opzet had op vernieling, omdat hij slechts met zijn hand had geklopt en niet met een hamer. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de ruit ondanks de eerdere beschadigingen nog enige gebruikswaarde had en dat het verdere beschadigen daarvan strafbaar was.

Verder concludeerde de Hoge Raad dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het opzet van de verdachte op vernieling bewezen kon worden, mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf en de verklaring van de aangeefster. De middelen van cassatie faalden en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor vernieling en/of beschadiging met opzet.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04316

Zitting17 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 15 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes dagen met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf dagen toegewezen.
Namens de verdachte hebben D.W.H.M. Wolters en S.W. Kuijpers, beiden advocaat te Hoofddorp, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de verdachte een ruit heeft vernield en/of beschadigd, althans niet dan wel ontoereikend heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat geen sprake was van vernieling, onbruikbaar maken en/of wegmaken, terwijl de weerlegging daarvan ook niet volgt uit wettige bewijsmiddelen.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 25 augustus 2020 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk raam, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [betrokkene 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.”
5. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof van 1 oktober 2021 verweer gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: [1]

Geen sprake van vernieling, onbruikbaar maken en/of wegmaken
2. Cliënt wordt verweten dat hij op 25 augustus 2020 een ruit, toebehorende aan [betrokkene 1] , zou hebben vernield, onbruikbaar hebben gemaakt en/of weggemaakt. De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is geweest van een in deze in de tenlastelegging genoemde strafbare gedragingen, nu op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de ruit reeds kapot was, voordat cliënt hier op 25 augustus 2020 mee in aanraking kwam.
3. Cliënt heeft in eerste aanleg verklaard dat hij, toen hij bij de woning van aangeefster aankwam, zag dat de ramen al kapot waren, dat ze met iets waren afgeplakt en waren dichtmaakt omdat ze al eens aan flarden waren gegooid. Deze verklaring van cliënt wordt ondersteund door de foto op pagina 11 van het dossier. Op deze foto is te zien dat in de hoek van de ruit reeds grote stukken tape waren aangebracht ten tijde van de vermeende vernieling en is een spaanplaat te zien.
4. In tegenstelling tot de politierechter is de verdediging van oordeel dat op basis van deze bevindingen vastgesteld kan worden dat de ruit in kwestie kennelijk al kapot was toen cliënt bij de woning aankwam. Je bevestigt immers geen spaanplaat en tape op een ruit die intact is.
5. Kortom, de ruit was al kapot. Vraag rijst of een kapotte ruit nog vernield kan worden?
6. Uit de inleidende opmerkingen bij titel XXVII (Vernieling of beschadiging) van Tekst & Commentaar blijkt dat de materiële norm die ten grondslag ligt aan de strafbepalingen in deze titel algemeen kan worden omschreven als het verbod op enigerlei wijze
de gebruikswaardevan zaken die aan anderen toebehoren of die ten algemene nutte worden gebruikt
te verminderen.
7. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de verdediging in de onderhavige zaak geen sprake. Een ruit die door middel van tape bij elkaar gehouden dient te worden, heeft immers al geen gebruikswaarde meer. Deze houdt immers geen zaken als kou, regen en ongewenste personen meer buiten en zal hoe dan ook vervangen dienen te worden. Dat door de gedraging van cliënt mogelijk wat extra glas uit het venster is gevallen, doet hier niet aan af. De ruit had hiervoor immers al geen gebruikswaarde meer.
8. Met het oog op de materiële norm die ten grondslag ligt aan artikel 350 Sr Pro, kan dan ook niet worden geoordeeld dat het handelen van cliënt als vernieling, onbruikbaar maken of wegmaken kan worden aangemerkt. Reeds hierom dient cliënt te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 25 augustus 2020 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een raam, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd.”
7. Het hof deze bewezenverklaring gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 november 2020 verklaard –zakelijk weergegeven–:
Op 25 augustus 2020 was ik bij de woning van mijn ex-vriendin [betrokkene 1] in [plaats] . Ik heb daar en toen op de hoek van het raam geklopt, waardoor het glas, dat al gebarsten was, nog meer kapot ging. Toen viel het glas naar binnen. Ik heb mijn hand hierbij gesneden. Het klopt wel dat ik tegen [betrokkene 1] heb gezegd dat ik haar raam zou inslaan, ik was een beetje boos op haar op dat moment.
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 augustus 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020254866-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 20-25):
als de op 25 augustus 2020 afgelegde verklaring van de verdachte:
[betrokkene 1] is mijn ex-vriendin. Ik heb met haar samengewoond aan de [a-straat 1] . De ramen waren dichtgemaakt. Ik heb op de ramen geklopt. Ik ging met mijn hand door de ruit heen. Ik heb mij opengehaald. Ik bleef daar toen de politie kwam.
3. Een proces-verbaal aanhouding verdachte d.d. 25 augustus 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020254866-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 7-9):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 25 augustus 2020 omstreeks 00:10 uur werden wij door de centralist van de centrale meldkamer Eenheid Den Haag gestuurd naar de [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zouden de ruiten worden vernield door een bekende van de bewoner te weten [verdachte] . Ter plaatse aangekomen zagen wij een manspersoon staan voor de woning. Wij zagen dat de man naast [a-straat 1] stond. De man stond naast een ruit welke vernield was en stond tussen het glas.
Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat de ruit in de hoek rechtsonder was vernield waardoor een gat is ontstaan. Op de vensterbank lagen nog glasscherven.
Uit de rugtas van de man zagen wij direct het heft van een hamer steken. Wij zagen dat de rechter hand van de man een bloedend wondje had nabij de pink. De verwonding bloedde nog en was vers.
Op 25 augustus 2020 omstreeks 00:18 uur hielden wij op de locatie [a-straat] , [plaats] , als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte] ”
8. Voorts heeft het hof in zijn overweging met betrekking tot een voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de aangeefster als getuige te horen, het volgende vastgesteld:
“Voorts is komen vast te staan dat de ruit ten tijde van dat feit al zwaar beschadigd was, dat deze met tape was afgeplakt en dichtgemaakt, en dat van buiten de woning bezien aan de achterzijde van de ruit een plaat was bevestigd.”
9. Het hof gaat er in het bestreden arrest uitdrukkelijk vanuit dat de betreffende ruit ten tijde van het feit al zwaar was beschadigd, dat deze met tape was afgeplakt en dichtgemaakt, en dat van buiten de woning bezien aan de achterzijde van de ruit een plaat was bevestigd. Het hof heeft voor het bewijs onder meer de verklaring van de verdachte gebruikt die inhoudt dat hij op de hoek van het raam heeft geklopt, waardoor het glas, dat al gebarsten was, nog meer kapot ging en naar binnen viel en heeft dit handelen aangemerkt als vernieling en/of beschadiging in de zin van art. 350 Sr Pro.
10. De stellers van het middel betogen dat het oordeel van het hof dat sprake is geweest van vernieling en/of beschadiging van een ruit van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat een ruit die al kapot is, niet nog kan worden vernield en/of beschadigd. Daartoe voeren zij aan dat de materiële norm die ten grondslag ligt aan art. 350 Sr Pro kan worden omschreven als een verbod op het verminderen van de gebruikswaarde van zaken die aan anderen toebehoren, maar dat de ruit al geen gebruikswaarde meer had omdat deze geen zaken als kou, regen en ongewenste personen meer buiten zou kunnen houden en hoe dan ook vervangen had dienen te worden.
11. Art. 350 lid 1 Sr Pro houdt in:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
12. De strafbaarstelling van art. 350 Sr Pro strekt ertoe het ongestoorde gebruik en/of genot van een goed door de rechthebbende te beschermen. [2] De materiële norm die ten grondslag ligt aan de strafbepalingen uit titel XXVII van het Wetboek van Strafrecht (‘Vernieling of beschadiging’) is het verbod op enigerlei wijze de gebruikswaarde van zaken die aan anderen toebehoren of die ten algemene nutte worden gebruikt te verminderen voor zover deze niet inherent is aan het alledaags gebruik van de betreffende zaken. [3] Het begrip ‘vernielen’ in de zin van deze strafbepalingen is in de literatuur wel gedefinieerd als: “geheel stukmaken, uiteenrukken zó dat het voorwerp waaraan de handeling wordt verricht als zodanig niet meer bestaat” of als: “zodanig beschadigen dat het niet meer door reparatie in de oude toestand kan worden hersteld”. [4] Het begrip ‘beschadigen’ wordt in de literatuur wel omschreven als: “het toebrengen van schade aan het voorwerp” of als “het goed aantasten”. [5] Daarnaast volgt uit de literatuur dat voor een bewezenverklaring van vernieling of beschadiging niet is vereist dat het goed economische waarde heeft. Er hoeft niet te worden bewezen dat het vermogen van een ander is benadeeld. [6]
13. Anders dan de stellers van het middel is het hof er kennelijk van uit gegaan dat de reeds gebarsten ruit in combinatie met de bevestigde plaat en de gebruikte tape voorafgaand aan het incident nog enige gebruikswaarde had, maar dat de verdachte door zijn geklop op de ruit heeft veroorzaakt dat het glas naar binnen viel en daarmee die gebruikswaarde heeft weggenomen (vernieling), dan wel heeft verminderd (beschadiging). De ruit was weliswaar al gebarsten, maar functioneerde in combinatie met de bevestigde plaat en tape nog wel; de ruit bood in die vorm nog bescherming tegen regen, wind en ongewenste personen, hetgeen inherent is aan een ruit. Het inslaan van de ruit heeft deze functie verloren doen gaan, dan wel verminderd. Mede gelet op hetgeen onder randnummer 12 is opgemerkt, geeft het oordeel van het hof naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
14. De stellers van het middel voeren verder aan dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat het handelen van de verdachte niet als vernieling en/of beschadiging kan worden aangemerkt, zodat het hof zijn arrest niet overeenkomstig de eisen die de wet stelt, heeft gemotiveerd.
15. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat geen sprake kan zijn van beschadiging, mist het feitelijke grondslag. Zoals blijkt uit hetgeen onder randnummer 5 is weergegeven, is in hoger beroep immers slechts aangevoerd dat geen sprake kan zijn van vernieling, onbruikbaar maken en/of wegmaken.
16. Het hof is in zijn uitspraak daarentegen wel afgeweken van het standpunt dat geen sprake kan zijn van vernieling nu de ruit reeds kapot was en geen gebruikswaarde meer had. Het heeft dit standpunt van de verdediging niet uitdrukkelijk in zijn arrest weerlegd. De motivering van de verwerping van dit verweer ligt evenwel besloten in de bewijsmiddelen. Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, blijkt uit de bewijsmiddelen immers dat de ruit vóór het incident slechts gebarsten was, maar dat de verdachte door zijn geklop op de ruit heeft veroorzaakt dat het glas naar binnen viel en dat een gat is ontstaan. Hieruit kan worden opgemaakt waarom het hof het verder kapot maken van een al zwaar beschadigde ruit als vernieling en/of beschadiging beschouwt.
17. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

18. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet volgt uit de bewijsmiddelen, althans dat het hof niet dan wel ontoereikend heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van opzet, terwijl de weerlegging daarvan ook niet volgt uit wettige bewijsmiddelen.
19. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 oktober 2021 verweer gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: [7]
Ontbreken opzet
Indien uw Hof onverhoopt van oordeel is dat wel sprake is geweest van een van de in de tenlastelegging genoemde gedragingen, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat cliënt hier geen opzet op heeft gehad en derhalve vrijgesproken dient te worden.
Reeds in eerste aanleg is betoogd dat door cliënt enkel op de ruit is geklopt en hij de ruit niet met een hamer heeft ingetikt. Deze verklaring van cliënt is aannemelijk nu op de hand van cliënt letsel is geconstateerd. Dergelijk letsel past bij het scenario waarin met een hand tegen een (kapotte) ruit wordt geklopt, niet bij het scenario waarin met een hamer tegen een ruit wordt geslagen. In een dergelijk geval bestaat door de hamer immers afstand tussen de hand van de dader en de ruit en zal er dus niet snel een verwonding op de hand ontstaan. Gelet op deze bevindingen, kan het door cliënt geschetste scenario - het scenario dat hij met zijn hand tegen de ruit heeft geklopt - niet als onaannemelijk worden verworpen.
In aanvulling op het voorgaande merk ik nog op de verklaring van aangeefster - dat cliënt tegen haar gezegd zou hebben dat hij de ramen van haar woning kapot zou maken met een hamer - met extra behoedzaamheid dient te worden gebezigd nu aangeefster in haar aangifte aantoonbaar heeft gelogen over wie wie die avond zou hebben gebeld. Deze verklaring kan naar het oordeel van de verdediging dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.
De verklaring die cliënt heeft afgelegd dient dus als aannemelijk te worden aangemerkt. De vraag is dan of er sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de vernieling, wanneer met de hand op een hoek van een kapotte ruit wordt geklopt. Naar het oordeel van de verdediging is dit niet zo. Cliënt wilde enkel controleren of het goed ging met aangeefster en er was dus geen sprake van zuiver opzet op de vermeende vernieling. Dit blijkt eens te meer nu enkel in de hoek van de ruit is geklopt. Indien je intentie is om een ruit te vernielen, tik je niet in een hoekje. Het enkele met de hand kloppen op een kapotte ruit levert bovendien geen aanmerkelijke kans op vernieling op. Al met al kan dan ook niet worden bewezen dat cliënt enige vorm van opzet op de vermeende vernieling heeft gehad. Hij dient dan ook te worden vrijgesproken.”
20. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aldus – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op vernieling van de betreffende ruit en daarom van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
21. Ik meen dat hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, niet anders kan worden begrepen dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Het hof is in zijn uitspraak van dit standpunt afgeweken door bewezen te verklaren dat de verdachte de betreffende ruit opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd.
22. Het bestreden arrest houdt geen expliciete reactie in op het verweer van de verdediging, maar naar mijn oordeel ligt de motivering van de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt besloten in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven onder 7. Immers, uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte op de hoek van het raam heeft geklopt, waardoor het glas, dat al gebarsten was, nog meer kapot ging. Daarnaast volgt uit deze verklaring van de verdachte dat de verdachte tegen de aangeefster heeft gezegd dat hij haar raam zou inslaan. Het hof heeft – in weerwil van hetgeen namens de verdachte was aangevoerd – klaarblijkelijk gemeend dat de verklaring van de aangeefster wél voor het bewijs kan worden gebruikt. Ik meen dat uit deze bewijsmiddelen zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het (verder) beschadigen van de ruit. Dat uit de bewijsmiddelen niets volgt over de kracht waarmee de verdachte heeft geklopt, doet daar niet aan af.
23. Nu de weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt besloten ligt in de gebezigde bewijsmiddelen, was het hof niet gehouden de verwerping van het verweer nader te motiveren.
24. Het middel faalt.

Slotsom

25. Beide middelen falen en het tweede middel kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
26. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met weglating van voetnoten.
2.R. van Elst, ‘Beschadiging goederen/dieren’, in: C.P.M. Cleiren e.a. (red.),
3.R. van Elst, ‘Inleidende opmerkingen’, in: C.P.M. Cleiren e.a. (red.),
4.Respectievelijk J.W. Fokkens, ‘Art. 161’, in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J.M. Machielse (red.),
5.Vgl. respectievelijk J.W. Fokkens, ‘Art. 161’, in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J.M. Machielse (red.),
6.R. van Elst, ‘Inleidende opmerkingen’, in: C.P.M. Cleiren e.a. (red.),
7.Met weglating van voetnoten.