De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 10 december 2020.
De advocaat-generaal stelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen grieven had ingediend bij het instellen van het hoger beroep. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op 30 maart 2021 door de advocaat van de verdachte hoger beroep is ingesteld met een grievenformulier, dat door de griffie van de rechtbank is ontvangen.
De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, waarbij zowel de strafoplegging als de hoogte van de toegewezen vordering van de benadeelde partijen aan de orde zullen komen.
Deze conclusie volgt uit een nauwkeurige toetsing van de processtukken en het cassatiemiddel dat zich richt op de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep.