3.4Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de TBS-maatregel. Volgens de advocaat-generaal is het opleggen van een voorwaardelijke straf of maatregel met bijzondere voorwaarden een gepasseerd station aangezien verdachte duidelijk heeft gemaakt dat hij niet zal meewerken aan voorwaarden. Hij is daarnaast ook door vijf verschillende FPK’s afgewezen. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat sprake is van diepgaand disfunctioneren, op basis waarvan een psychische stoornis is vastgesteld. Aan alle wettelijke eisen van de TBS-maatregel is voldaan en op dit moment zou dit ook de meest passende maatregel zijn. Aangezien de bedreiging gepaard is gegaan met mishandeling dient de maatregel ook ongemaximeerd opgelegd te worden. Ten aanzien van feit 2, 3 en 4 dient volgens de advocaat-generaal geen straf of maatregel te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet ter beschikking dient te worden gesteld. Primair vanwege de door hem bepleite vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde en subsidiair vanwege de geringe ernst van de feiten. Daarbij is van belang dat verdachte 20 maanden in voorarrest heeft gezeten en er zich gedurende deze tijd geen incidenten hebben voorgedaan. Daarnaast moet gekeken worden of de wetgever wel heeft bedoeld om voor een dergelijk feit TBS op te leggen. Daarbij komt nog dat er ook geen specifieke diagnose is gesteld. Aangezien verdachte ook nergens aan mee wil werken zal een TBS-maatregel erin resulteren dat verdachte straks een kale straf uitzit in een kliniek. De rechtbank heeft verder het ongemaximeerde deel van de opgelegde maatregel gemotiveerd aan de hand van feiten waar afzonderlijk geen TBS-maatregel kan worden opgelegd en dat is niet mogelijk. Volgens de raadsman dient verdachte enkel afgestraft te worden, waarbij hij heeft opgemerkt dat de gevangenisstraf dan nooit boven een duur van 20 maanden uit zou mogen komen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, allemaal gepleegd op 23 november 2020. Op deze dag heeft verdachte eerst [betrokkene 1] geduwd en bedreigd. Zij werkte op dat moment bij de organisatie die verdachte hulp bood en uit haar aangifte blijkt dat zij pijn heeft ondervonden van de actie van verdachte en ook bang is geweest. Nadat er vervolgens verschillende omstanders te hulp zijn geschoten, heeft verdachte één van deze omstanders nog mishandeld en heeft hij van een andere omstander een telefoon afgepakt en beschadigd. Met zijn handelen heeft verdachte dus verschillende mensen pijn, letsel en/of schade toegebracht. Daarnaast heeft het incident zich op straat in Utrecht voorgedaan en is het algemene gevoel van veiligheid van de omstanders daarmee aangetast. Het hof rekent dit de verdachte ernstig aan.
Uit het de verdachte betreffend uittreksel van de Justitiële Documentatie van 17 juni 2022 blijkt dat hij in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling, bedreiging en vernieling.
Het hof neemt de volgende overwegingen met betrekking tot de persoon van de verdachte en de op te leggen maatregel integraal uit het vonnis van de rechtbank over:
PBC-rapportage
In het dossier bevindt zich een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 9 december 2021 (verder: PBC-rapport), opgemaakt door [betrokkene 4] , psychiater, en [betrokkene 5] , GZ-psycholoog. Zij schrijven dat verdachte zijn medewerking aan het PBC-onderzoek heeft geweigerd. Uit het persoonsdossier, strafdossier en het penitentiair dossier van verdachte is hen echter duidelijk geworden dat er bij verdachte sprake is van diepgaand disfunctioneren op alle levensgebieden. Rode draad in de levensloop van verdachte is zijn wantrouwen, gecombineerd met middelengebruik en veel verbaal en fysiek agressieve incidenten, onder meer naar hulpverleners. Op grond hiervan concluderen de rapporteurs dat er bij verdachte sprake is van een ernstige psychische stoornis, in combinatie met ernstige agressie, gecompliceerd door problematisch middelengebruik.
Volgens de rapporteurs was de psychische stoornis van verdachte ook ten tijde van de onderhavige ten laste gelegde feiten aanwezig, gelet op het structurele en chronische karakter van deze stoornis. Omdat vanwege het gebrek aan medewerking van verdachte aan het PBC onderzoek geen specifieke diagnose kon worden gesteld, behalve een stoornis in het gebruik van een hypnoticum, kunnen de rapporteurs niet vaststellen in welke mate de psychische stoornis van verdachte zijn gedrag ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde.
De rapporteurs concluderen dat er in de voorgeschiedenis van verdachte veel factoren te zien zijn die bijdragen aan recidiverisico. Statistisch gezien is dit ongunstig voor wat betreft het risico op herhaling van gewelddadig gedrag in de toekomst. Doordat verdachte niet meewerkte aan het PBC-onderzoek, kunnen de rapporteurs echter geen geïndividualiseerde inschatting maken van het recidiverisico.
Omdat de invloed van de psychische stoornis van verdachte op het ten laste gelegde en het recidiverisico niet voldoende specifiek kunnen worden vastgesteld, onthouden de rapporteurs zich van advies over de manier waarop het recidiverisico in de toekomst zoveel mogelijk kan worden beperkt.
Advies van de reclassering
In het dossier bevinden zich reclasseringsrapportages van 5 januari 2021,25 februari 2021 en 14 december 2021. In deze rapporten schrijft de reclassering dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon bestaande uit onder andere agressie tegen hulpverleners. Er is duidelijk sprake van een pro-criminele houding bij verdachte, hij toont weinig berouw en spijt over zijn delictgedrag. Er is sprake van zowel een gebrek aan probleembesef als probleeminzicht. Verdachte is krenkbaar en defensief in het contact en is geneigd zijn problematiek te externaliseren en te bagatelliseren, aldus de reclassering. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat, op basis van het delictverleden van verdachte en zijn gebrek aan behandelmotivatie.
Op praktisch gebied ziet de reclassering problemen op het gebeid van schulden en huisvesting. Verder heeft verdachte problemen op het gebied van zijn psychosociaal functioneren en middelengebruik. De reclassering ziet geen beschermende factoren. De reclassering schat in dat verdachte langdurig afhankelijk zal zijn van behandeling, externe zorg en ondersteuning om recidive in delictgedrag te voorkomen en zijn leven op de rails te krijgen en te houden.
De reclassering is gebleken dat een passende klinische plaatsing niet tot de mogelijkheden behoort. Zeer recente aanmeldingen bij vijf FPK's liepen uit op afwijzingen op basis van het gebrek aan responsiviteit, de recidiverende impulsdoorbraken richting hulpverlening en het gebrek aan motivatie bij verdachte. In de onderhavige casus heeft de reclassering vastgesteld dat verdachte zich aan geen enkele voorwaarde wenst te houden, waardoor er geen basis is voor een voorwaardelijk behandelkader, zoals TBS met voorwaarden.
De reclassering concludeert dat de enige mogelijkheid om verdachte op een passende behandelplek geplaatst te krijgen, het opleggen van een TBS-maatregel is. Dit lijkt de reclassering de enige optie om het recidiverisico te kunnen verminderen en de maatschappij te beschermen.
TBS-maatregel
Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de TBS-maatregel, zoals geformuleerd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. Uit het PBC-rapport blijkt dat verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Ook heeft verdachte zich onder meer schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is vermeld in artikel 37a, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk een bedreiging.
Omdat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan onderzoek ten behoeve van advies, is het vereiste dat de rechtbank dient te beschikken over een advies van twee gedragsdeskundigen niet van toepassing. In plaats daarvan hebben twee gedragsdeskundigen gerapporteerd over de reden van weigering, en heeft de rechtbank zich zoveel mogelijk ander advies doen overleggen dat over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van het opleggen van de TBS-maatregel kan voorlichten.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de TBS-maatregel vereist. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit het delict- en behandelverleden van verdachte, zoals uiteengezet in het PBC-rapport, blijkt duidelijk dat bij verdachte sprake is van agressiebeheersingsproblematiek die, tot op zekere hoogte, ook door verdachte is onderkend. Binnen deze agressieproblematiek vormt geweld tegen hulpverleners of personen met een publieke taak een steeds terugkerend element. Verder hebben de onderzoekers van het PBC bij verdachte een psychische stoornis vastgesteld, waardoor te verwachten valt dat verdachte ook in de toekomst veel contact met hulpverleners nodig zal hebben. Ook de reclassering schat in dat verdachte in de toekomst langdurig afhankelijk zal zijn van behandeling, zorg en ondersteuning. Op basis van deze factoren, en met name de combinatie daarvan, schat de rechtbank, evenals de reclassering en de officier van justitie, het risico op geweldsrecidive door verdachte hoog in.
Om dit recidiverisico te beperken acht de rechtbank een langdurige behandeling noodzakelijk die, gelet op de vele eerdere geweldplegingen door verdachte binnen een behandelkader, zal moeten plaatsvinden in een instelling met een voldoende hoog beveiligingsniveau. Dit beveiligingsniveau kan, gelet op de aard en de frequentie van de geweldplegingen in het verleden, naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende worden gewaarborgd buiten een TBS-kliniek. De rechtbank laat hierin het meewegen dat de reclassering (Tactus verslavingszorg), op verzoek van de rechtbank, nogmaals heeft onderzocht of verdachte binnen een voorwaardelijk kader de voor hem noodzakelijke behandeling kan worden geboden. De reclassering heeft daarop in haar rapport van 14 december 2021 onderbouwd uiteengezet waarom een bepaalde behandeling in een voorwaardelijk kader voor verdachte niet langer tot de mogelijkheden behoort. Ten slotte heeft verdachte ondubbelzinnig aangegeven niet te willen meewerken aan een behandeling binnen een voorwaardelijk behandelkader.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er geen andere mogelijkheid bestaat voor het realiseren van de voor verdachte noodzakelijke behandeling, dan het opleggen van de TBS-maatregel.
Op basis van het voorgaande is ook het hof van oordeel dat oplegging van de TBS-maatregel in dit geval passend en geboden is.
Anders dan de rechtbank heeft beslist, zal het hof geen ongemaximeerde TBS opleggen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
In artikel 38e eerste lid Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de TBS-maatregel maximaal 4 jaar duurt tenzij sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Een bedreiging is niet zonder meer zo’n misdrijf. Bij de beoordeling of sprake is van een geweldsmisdrijf als bedoeld in genoemd artikel kan worden betrokken of de bedreiging wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal gedrag dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde en waardoor aannemelijk is geworden dat de bedreiging ten uitvoer zal worden gebracht.
Het hof stelt vast dat verdachte zowel voor als na de bedreiging van [betrokkene 1] fysiek agressief is geweest jegens haar door haar te duwen. Het hof is echter van oordeel dat het geven van twee duwen onvoldoende aannemelijk maken dat verdachte de door hem geuite doodsbedreiging zou gaan uitvoeren. Het hof beoordeelt de bedreiging van [betrokkene 1] derhalve niet als geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e eerste lid Wetboek van Strafrecht. De TBS-maatregel is gemaximeerd tot een periode van vier jaar.
Net als de rechtbank overweegt het hof dat de TBS-maatregel, gelet op artikel 37a eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, alleen kan worden opgelegd ten aanzien van de bewezen verklaarde bedreiging. Vanwege de duur en het karakter van de TBS-maatregel acht het hof een bijkomende straf of maatregel voor de overige bewezen verklaarde feiten niet passend en geboden.”