De verdachte sprong op 29 juli 2019 van een balkon en verbrijzelde daarbij zijn beide benen en enkels. Om aandacht te trekken van bewoners gooide hij een fles tegen een personenauto die aan een ander toebehoorde, waarbij de auto beschadigd raakte.
De verdediging voerde een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand aan, stellende dat de verdachte door zijn ernstige verwondingen niet anders kon handelen. Het hof oordeelde echter dat geen sprake was van een objectieve noodtoestand, omdat de verdachte zichzelf in deze situatie had gebracht door het gebruik van speed en het springen van het balkon.
Het hof stelde dat het handelen van de verdachte niet proportioneel was, omdat hij ook door te schreeuwen aandacht kon trekken. De eigen schuld van de verdachte stond een beroep op noodtoestand in de weg. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel, waarbij het hof voldoende gemotiveerd had dat sprake was van eigen schuld en dat het beroep op overmacht daarom faalde.