Conclusie
[eiseres 1])
[eiser 2])
[eiser 3])
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)
Allgo Spaander)
Allgo Cathrien)
Allgo c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
1.Feiten
arresten het
hof). [1] Daaraan gaat rov. 2 vooraf, die ik citeer:
2. De zaak in het kort.
[betrokkene 1]) enig eigenaar en bestuurder is.
Spaander) en B.V. Maatschappij tot Exploitatie van [het hotel- en restaurantbedrijf] (hierna:
[het hotel- en restaurantbedrijf]) twee horecagelegenheden in [plaats], te weten [het hotel] en [de brasserie].
[hotelexploitatie-maatschappij]). De aandelen in [hotelexploitatie-maatschappij] worden gehouden door [eiseres 1] .
hotelpand). [het hotel- en restaurantbedrijf] was eigenaar van het pand waarin [de brasserie] is gevestigd (hierna: het
brasseriepand). Allgo Spaander en Allgo Cathrien hadden de dagelijkse leiding over de twee horecabedrijven.
familieleden-crediteuren) aan [eiseres 1] verstrekte leningen van in totaal € 9.232.059,- is bij notariële akte van 28 december 2010 een derdenhypotheek gevestigd op een aantal vastgoedobjecten binnen [eiseres 1] , waaronder het bij Spaander in eigendom zijnde hotelpand, het bij [het hotel- en restaurantbedrijf] in eigendom zijnde brasseriepand en vastgoed van HSB Vastgoed X B.V. (hierna:
HSB Vastgoed), een dochtervennootschap van Spaander.
NAI). Allgo c.s. heeft in die procedure op 10 september 2012 in reconventie diverse tegenvorderingen ingesteld. De vorderingen over en weer zagen met name op (terug)betaling van winstvoorschotten.
scheidsgerecht) aan Spaander de opdracht gegeven om over de periode juni tot en met 31 december 2012 een winstvoorschot van € 65.621,- aan Allgo Spaander uit te keren, indien en nadat door Allgo Spaander een bankgarantie voor datzelfde bedrag is gesteld. Het scheidsgerecht heeft [het hotel- en restaurantbedrijf] de opdracht gegeven om over de periode augustus tot en met 31 december 2012 een winstvoorschot van € 26.235,- aan Allgo Cathrien uit te keren, eveneens indien en nadat voor dat bedrag een bankgarantie is gesteld. Tevens heeft het scheidsgerecht een deskundige benoemd om de activa van de per 31 december 2012 op te maken balans van de beide vennootschappen onder firma te waarderen.
[A]), de marktwaarde in verhuurde staat van het brasseriepand per 15 maart 2013 getaxeerd op € 1.320.000,-.
Adhoc), een taxatierapport uitgebracht waarin de marktwaarde van het horecapand Spaander exclusief inventaris is getaxeerd op € 2.320.000,-. Die waarde is tot stand gekomen na aftrek van € 600.000,- wegens negatieve goodwill.
Hemij Volendam) een koopovereenkomst gesloten inhoudende dat Spaander de inventaris van [het hotel] voor € 430.000,- (exclusief BTW) en de handelsnaam B.V. [het hotel] voor € 5.000,- verkoopt aan Hemij Volendam. Partijen hebben tegelijk afgesproken dat Spaander de inventaris tegen een marktconforme prijs zal huren van Hemij Volendam en dat Hemij Volendam aan Spaander toestemming zal verlenen om de handelsnaam om niet te gebruiken. Hemij Volendam is geen onderdeel van [eiseres 1] . Zij is wel gelieerd aan (een aantal van) de onder 1.2 hiervoor bedoelde nakomelingen van [sr.]
familieleden-kopers). De levering heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 14 november 2013. Gelijktijdig zijn nog andere onroerende zaken van Spaander, [het hotel- en restaurantbedrijf] en HSB Vastgoed verkocht aan familieleden-kopers. De instemming met de onderhandse verkoop werd blijkens de akte verleend onder de opschortende voorwaarde van, onder meer, vestiging van een pandrecht ten behoeve van hypotheekhouders. Bij dezelfde akte is aan de familieleden-crediteuren een pandrecht verleend op de vorderingen van (onder meer) Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] op de familieleden-kopers tot betaling van de koopprijzen.
maatschap). Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] hebben op 1 november 2013 ieder een huurovereenkomst met de maatschap gesloten voor het hotelpand respectievelijk het brasseriepand alsmede de inventaris en de schilderijen en het antiek. De maatschap huurde de inventaris, de schilderijen en het antiek op haar beurt van Hemij Volendam.
DHW) het “Adviesrapport terugbrengen rekening-courantvorderingen [eiseres 1] B.V.” uitgebracht. In dit rapport staat - voor zover van belang - het volgende:
1. Opdracht en beperkingen
2. Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden
(…)
4. Beoordeling prognose per onderneming
5. Uitwerking advies terugbrengen rekening-courant vordering [eiseres 1] per onderneming
(…)
(…)
(…)
(…)
6. Samenvatting advies
[naam 1]) opgericht met als handelsnaam onder meer Art [het hotel]. Eveneens op 7 mei 2014 is [naam 2] B.V. (hierna:
[naam 2]) opgericht met als handelsnaam onder meer [de brasserie]. 51% van de aandelen in beide vennootschappen wordt gehouden door Hemij Volendam en 49% door [hotelexploitatie-maatschappij] .
DHW-rapport 2019). In dit rapport staat - voor zover van belang - het volgende:
(…)
2.Procesverloop
In eerste aanleg
b. [eiseres 1] en/of [eiser 2] en/of [eiser 3] , hoofdelijk te veroordelen aan Allgo Spaander en Allgo Cathrien te betalen:
vonnis) heeft de rechtbank Noord-Holland (hierna: de
rechtbank) de vorderingen van Allgo c.s. afgewezen en haar uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten veroordeeld. [3] Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen, in de woorden van het hof in rov. 4.2 van het arrest:
Wat betreft de gestelde onrechtmatige verhaalsfrustratie:
De koopprijzen die de familieleden-kopers voor het hotelpand en het brasseriepand hebben betaald komen overeen met de waarden in de taxatierapporten van Adhoc en [A] . Allgo c.s. hebben onvoldoende aangetoond dat het hotelpand en het brasseriepand voor te lage waarden zijn verkocht en dat bij verkoop tegen reële waarden sprake zou zijn geweest van overwaarde waarop Allgo c.s. zich hadden kunnen verhalen. Na de besluiten tot vermindering van het kapitaal en dividenduitkering van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] heeft terugbetaling op de aandelen en uitkering plaatsgevonden door cessie van de regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] op [eiseres 1] . Door deze cessies zijn de verhaalsmogelijkheden van Allgo c.s. in beginsel gefrustreerd. Gelet op het rapport van DHW 13 februari 2019 hebben Allgo c.s. evenwel onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiseres 1] op 26 februari 2014 een negatieve waarde had van meer dan 12 miljoen euro. De regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] waren derhalve niets waard. De inventaris, handelsnaam en exploitatierechten van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] zijn voor een reële prijs aan Hemij Volendam en [naam 1] en [naam 2] verkocht. De slotsom luidt dat van verhaalsfrustratie en daarmee onrechtmatig handelen niet is gebleken. Ook in samenhang gezien kunnen de aan de bestuurders verweten handelingen niet tot die conclusie leiden.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Allgo c.s. met 18 grieven op.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Het besluit tot kapitaalvermindering, dividenduitkering en de cessie van de regresvorderingen
4.14 De bestuurder(s) heeft/hebben met de cessie van de regresvorderingen aan [hotelexploitatie-maatschappij] het nagenoeg laatste actief uit het vermogen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] gehaald. De - later in 2014 verkochte - resterende nog in eigendom van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] zijnde inventaris en de exploitatie van het hotel en de brasserie vertegenwoordigden, zoals [eiseres] hebben uiteengezet (zie r.o. 4.10), nauwelijks enige waarde.
Door deze cessies werd actief aan Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] onttrokken en werden de verhaalsmogelijkheden van crediteuren van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , zoals ook de rechtbank heeft overwogen, in beginsel gefrustreerd. Dat is alleen anders indien deze vorderingen ten tijde van de cessie geen waarde vertegenwoordigden en er ook geen zicht bestond op een mogelijkheid om deze vorderingen in de toekomst (geheel of gedeeltelijk) op [eiseres 1] te verhalen. In de jaarrekeningen van 2013 (vastgesteld op 16 januari 2015) van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] staan de regresvorderingen op de balans opgenomen voor de nominale waarde. In dat licht bezien, hebben [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat de regresvorderingen (die waren ontstaan in november 2013) in februari 2014 in het geheel geen waarde (meer) vertegenwoordigden.
Uit het door [eiseres] overgelegde rapport van DHW van 13 februari 2019, blijkt niet dat de regresvorderingen (per 31 december 2013) in het geheel geen waarde vertegenwoordigden en er ook geen zicht bestond op een waarde of een mogelijkheid van verhaal in de toekomst. Dit rapport bevat geen waardering van de regresvorderingen. Uit het rapport blijkt dat het actief van [eiseres 1] (per 31 december 2013) met name bestond uit een drietal deelnemingen, waarin [eiseres 1] een belang van 100% hield. De som van de waarden van deze deelnemingen is volgens het rapport negatief, maar afzonderlijk vertegenwoordigt één van de deelnemingen een positieve waarde (pag. 15 van het rapport). Dit wordt bevestigd door het door Allgo c.s. in het geding gebrachte rapport van [E] van 26 oktober 2020, waarin voorts is vermeld dat de waarde van een vordering niet kan worden gebaseerd op (slechts) de bepaling van de economische waarde van de aandelen in een vennootschap. De schuldeisers hebben immers verhaal op de activa van de vennootschap en niet op de aandelen in de vennootschap. Op pagina 5 van dit rapport wordt voorts nog een opsomming van uit de jaarrekening van [eiseres 1] van 2013 blijkend actief gegeven. Dat dit actief opgeteld geen heel hoge waarde vertegenwoordigde neemt niet weg dat (uiteindelijk) op dit actief én op het belang van [eiseres 1] in de deelnemingen verhaal had kunnen worden genomen. Het betoog van [eiseres] dat de stellingen van Allgo c.s. naar aanleiding van het rapport van [E] hebben ingenomen in strijd zijn met de tweeconclusieregel wordt verworpen, nu deze stellingen een uitwerking vormen van eerdere standpunten.
Op zichzelf genomen is juist dat de omstandigheid dat de familieleden-crediteuren de aan [eiseres 1] verstrekte leningen hadden opgeëist en tot verkoop van de verhypothekeerde panden waren overgegaan een aanwijzing vormt dat [eiseres 1] in financiële moeilijkheden verkeerde. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat [eiseres 1] door ABN AMRO (tot mei 2017) onder bijzonder beheer was geplaatst. Uit deze omstandigheden, afzonderlijk en in samenhang bezien, volgt evenwel nog niet dat de regresvorderingen in het geheel geen waarde vertegenwoordigden en dat er in de (nabije) toekomst ook geen waarde was te verwachten.
Daar komt bij dat voor het beoogde doel, te weten: het opschonen van de balansen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , een cessie van de regresvorderingen op [eiseres 1] aan [hotelexploitatie-maatschappij] , zonder nadere toelichting, die door [eiseres] niet is gegeven, niet noodzakelijk was.
Indien het betoog van [eiseres] aldus moet worden begrepen dat in feite een kapitaalvermindering zonder terugbetaling van de aandeelhouder werd beoogd, hebben [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt waarom de bestuurder(s) van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] dan toch heeft/hebben meegewerkt aan terugbetaling van de aandeelhouder door cessie van de regresvorderingen. Ook indien juist is dat dit is gebeurd om de balansen op te schonen, hebben [eiseres] onvoldoende toegelicht waarom dit op deze wijze is geschied en waarom geen afwaardering van de regresvorderingen heeft plaatsgevonden. Na de cessies resteerde er, zoals gezegd, nagenoeg geen actief in Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] . Gezien het vorenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is voldoende komen vast te staan dat de bestuurder(s) wist(en) of heeft/hebben behoren te begrijpen dat de door hem/hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschappen tot gevolg zou hebben dat deze hun verplichtingen (met de mogelijkheid van het bestaan waarvan ernstig rekening moest worden gehouden, zoals hierna zal blijken) niet zouden nakomen en ook geen verhaal zouden bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
(…)
Slotsom
(…)”
-rapport).
Als het hof zou hebben gemeend dat het aan bewijslevering niet toekomt omdat [eiseres] hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd, is dit oordeel zonder (nadere) motivering niet begrijpelijk. [eiseres] hebben uitgebreid onderbouwd, onder meer met het rapport van DHW van 13 februari 2019, de begeleidende brief bij dit rapport van dezelfde datum en de brief van DHW van 4 december 2020 (zie subonderdeel 1.1) dat de regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] geen waarde hadden. Zeker nu het hof onbegrijpelijk/zonder voldoende motivering voorbijgaat aan deze begeleidende brief en de latere brief van DHW is niet (zonder meer) in te zien waarom [eiseres] toch onvoldoende zouden hebben gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.”
subonderdeel 1.1.
Door deze cessies werd actief aan Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] onttrokken en werden de verhaalsmogelijkheden van crediteuren van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , zoals ook de rechtbank heeft overwogen, in beginsel gefrustreerd. Dat is alleen anders indien deze vorderingen ten tijde van de cessie geen waarde vertegenwoordigden en er ook geen zicht bestond op een mogelijkheid om deze vorderingen in de toekomst (geheel of gedeeltelijk) op [eiseres 1] te verhalen.”
De eerste briefbetreft een brief van DHW van 13 februari 2019. [25] Vooropgesteld: het is enigszins verwarrend dat het subonderdeel spreekt van “de begeleidende brief bij het DHW-rapport”, want deze brief zit
nietbij dit rapport (het DHW-rapport 2019), [26] maar betreft een separaat schrijven van gelijke datum als dit rapport. Iets anders is dat deze brief wel verband houdt met het door DHW ook afgegeven zijn van dit rapport aan [eiseres 1] (c.s.) met het oog op de onderhavige procedure.
Deze brief is innerlijk tegenstrijdig met p. 15 van het DHW-rapport 2019, waarover onder 3.4.5, eerste en tweede gedachtestreepje hiervoor. In dit rapport wordt de waarde van [F] per 31 december 2013 onverkort gesteld op € 15.769,771,- (dus positief), [27] in deze brief - op p. 2 - is die waarde opeens -/- € 3.386.130,- (dus negatief). [28] Deze brief laat zich niet uit over de verhouding ervan tot die positieve waardebepaling op p. 15 van dit rapport. Noch over de verhouding ervan tot de door het hof betrokken jaarrekeningen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] over 2013, zoals vastgesteld op 16 januari 2015, waarin de regresvorderingen zijn opgenomen op de balans voor de nominale waarde. Zie onder 3.4.4 hiervoor. In genoemde stellingname van [eiseres] lees ik daarover evenmin iets. Verder verdient opmerking dat de door deze brief gegeven toelichting op genoemde negatieve waarde van [F] waarop het subonderdeel doelt, [29] niet meer behelst dan een blote stelling zonder noemenswaardige, laat staan navolgbare onderbouwing. [30] In genoemde stellingname van [eiseres] lees ik daarover evenmin iets.
De tweede briefbetreft een brief van DHW van 4 december 2020, [31] die door [eiseres] is overgelegd in reactie op het [E] -rapport [32] en neerkomt op een herhaling van zetten. Voor deze tweede brief, gelijk hetgeen daarover door [eiseres] is opgemerkt in hoger beroep, [33] gaat in essentie hetzelfde op als uiteengezet in sub a, laatste alinea hiervoor. Dit geldt dus ook voor de passage uit deze tweede brief als geciteerd door [eiseres] in de vindplaats waarop het subonderdeel zich beroept bij genoemde stellingname van [eiseres] , welke vindplaats luidt: [34]
Immers wordt de waarde van die vorderingen mede bepaald door het bestaan van verhaalsmogelijkheden voor schuldeisers van [eiseres 1] . In het geval van [eiseres 1] bestond het belangrijkste actief uit de aandelenpakketten die zij in drie verschillende dochtervennootschappen hield. Deze aandelen in de drie dochtervennootschappen, die op hun beurt ook weer diverse deelnemingen hadden, vertegenwoordigden allemaal een negatieve waarde. Dit blijkt uit mijn rapportage en de begeleidende brief. Omdat schuldeisers van [eiseres 1] zich alleen op de aandelen in de dochtervennootschappen - en niet direct op (objecten in) het vermogen van de dochtervennootschappen - konden verhalen, geeft de rapportage en de begeleidende brief een indicatie van de waarde van de verhaalsobjecten van en daarmee van de vorderingen op [eiseres 1] .””
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3.
subonderdeel 1.4.
4.17. [eiser 3] was statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] ten tijde van de cessies. Hij heeft de besluiten tot terugbetaling en dividenduitkering in natura goedgekeurd en uitvoering gegeven aan de besluiten door de regresvorderingen door Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] te (laten) cederen aan [hotelexploitatie-maatschappij] . [eiseres 1] was debiteur van de door de familieleden-crediteuren verstrekte leningen en tot 18 februari 2014 statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] . [eiseres 1] was als bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] betrokken bij de onderhandse verkoop van het onroerend goed en de inventaris van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] (zie 3.21, 3.22 en 3.23). Tot kort voor de besluiten van 26 februari 2014 van [hotelexploitatie-maatschappij] tot kapitaalvermindering en dividenduitkering door cessie van de regresvorderingen, waaraan door het bestuur van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] uitvoering zou moeten worden gegeven, was [eiseres 1] betrokken bij het plan om de balansen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] op te schonen en bij de reorganisatie van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] . [eiseres 1] heeft de opdracht aan DHW gegeven tot het doen van de uitkeringstest. Uit het vorenstaande blijkt voldoende dat [eiseres 1] nauw betrokken is geweest bij en invloed heeft gehad op het beleid dat uiteindelijk tot de cessies van de regresvorderingen heeft geleid en dit beleid in belangrijke mate (mede) heeft bepaald. [eiseres] hebben daar onvoldoende tegenin gebracht. [eiseres 1] dient ten aanzien van het uitvoeren van de besluiten tot terugbetaling van [hotelexploitatie-maatschappij] door cessie van de regresvorderingen als feitelijk bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] te worden aangemerkt. leder van [eiseres] ( [eiser 2] als bestuurder van [eiseres 1] ex art. 2:11 BW Pro) valt op de hiervoor uiteengezette gronden, onrechtmatig handelen te verwijten door zich schuldig te maken aan verhaalfrustratie door de cessie van de regresvorderingen op [eiseres 1] aan [hotelexploitatie-maatschappij] . Ieder van de bestuurders kan daarvan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.”
rechtsklacht. Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent feitelijk bestuurderschap in het kader van een vordering op grond van art. 6:162 BW Pro.
Voor het aannemen van dergelijk feitelijk bestuurderschap volstaat niet dat een voormalig statutair bestuurder (hier: [eiseres 1] ) ten tijde van zijn statutair bestuurderschap nauw betrokken was bij en invloed had op het handelen - nadien - van de hem opvolgend statutair bestuurder (hier: [eiser 3] , die op 18 februari 2014 statutair bestuurder is geworden van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] en die op 26 februari 2014 die functie bekleedde) dat uiteindelijk onrechtmatig wordt bevonden. Om te kunnen aannemen dat een (rechts)persoon ten aanzien van onrechtmatig handelen (zoals hier door het hof vastgesteld) feitelijk bestuurder was, is nodig dat die (rechts)persoon ten tijde van het gewraakte handelen feitelijk (
de facto) (mede) de bestuurstaak uitoefende c.q. optrad als ware hij bestuurder. [39]
motiveringsklacht. Deze wordt opgeworpen voor het geval het hof dit niet heeft miskend. In dat geval is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Uit wat het hof vaststelt kan niet volgen dat [eiseres 1] ná 18 februari 2014 is opgetreden als ware zij (nog steeds) bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] . Ten aanzien van deze periode stelt het hof in feite in het geheel geen relevante/daadwerkelijke betrokkenheid van [eiseres 1] vast. [40] In ieder geval heeft het hof, als het toch (impliciet) heeft bedoeld dat [eiseres 1] ná 18 februari 2014 nog relevant/daadwerkelijk betrokken is geweest bij - kort gezegd - de cessies, onvoldoende gerespondeerd op de stelling van [eiseres] dat, om [eiseres 1] als feitelijk bestuurder aansprakelijk te kunnen houden, sprake moet zijn van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eiseres 1] het beleid van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] mede heeft bepaald in de periode dat zij geen statutair bestuurder meer was en dat zulke feiten en omstandigheden niet zijn gesteld en dat daar ook geen sprake van was. [41]
voortbouwklacht.
rechtsklacht.
de facto) (mede) de bestuurstaak uitoefende c.q. optrad als ware hij bestuurder” van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] .
Ten eerstewas [eiseres 1] voorafgaand aan genoemde cessies, want van 15 januari 2003 tot 18 februari 2014, al gedurende een lange periode - en deels, want van 19 oktober 2011 tot 10 oktober 2013, samen met [eiser 3] - statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] . Van op zichzelf staand feitelijk bestuurderschap van [eiseres 1] ten tijde van genoemde cessies op 26 februari 2014 is dus geen sprake.
Ten tweedehad [eiseres 1] in die periode als statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] al in belangrijke mate (mede) bepalende betrokkenheid bij genoemd beleid van deze vennootschappen. Dat [eiseres 1] ten tijde van genoemde cessies op 26 februari 2014 - toen [eiser 3] dus de enige statutaire bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] was - dit beleid in belangrijke mate (mede) bepaalde, staat dan evenmin op zichzelf.
Ten derdeis [eiseres 1] ’s statutair bestuurderschap van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] slechts kort (want per 18 februari 2014, dus acht dagen) voor genoemde cessies op 26 februari 2014 beëindigd, waarbij zij in die hoedanigheid, als enig statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , dus is opgevolgd door [eiser 3] . Het is dan ook laatstgenoemde - blijkens de gedingstukken familie van [eiseres 1] ’s bestuurder [eiser 2] [44] - die, als de nieuwe statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , formeel de besluiten tot terugbetaling en dividenduitkering in natura heeft goedgekeurd en uitvoering heeft gegeven aan die besluiten door genoemde cessies namens Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] .
Ten vierdehad [eiseres 1] een evident persoonlijk belang bij (het van nabij toezien op) het daadwerkelijk doorgang vinden van genoemde cessies op 26 februari 2014, nu zij immers ook debiteur was in de relevante periode: niet slechts van de door de familieleden-crediteuren verstrekte leningen (tot welke schuldeisers naast [eiser 3] ook [eiser 2] behoorde), [45] maar tevens van genoemde regresvorderingen. En deze regresvorderingen een mogelijk verhaalsobject vormden voor Allgo c.s. in haar lopende geschil met Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , met de gevolgen van dien voor [eiseres 1] (en haar andere schuldeisers, onder wie de familie-crediteuren). Althans zolang Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] de rechthebbenden waren van de regresvorderingen, wat na genoemde cessies dus niet langer zo was. [46]
motiveringsklacht.
voortbouwklachtook strandt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
“De schadebegroting”
Schade4.19. Voor de beantwoording van de vraag welke schade aan het onrechtmatig handelen van [eiseres] kan worden toegerekend dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie (waarin de normschending heeft plaatsgevonden) en de hypothetische situatie waarin de normschending zou zijn uitgebleven. Het hof zal bij de beoordeling betrekken in eerste aanleg door [eiseres] gevoerde en niet prijsgegeven gronden en verweren.
De feitelijk situatie is, dit is door [eiseres] niet bestreden, dat Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] geen verhaal bieden voor de bedragen die zij krachtens het arbitraal vonnis van 15 juni 2018 aan Allgo c.s. moeten betalen. In de hypothetische situatie hadden Allgo c.s. zich op de regresvorderingen kunnen verhalen. Dat [eiseres 1] ten tijde van de cessie geen verhaal bood, zoals [eiseres] hebben aangevoerd, maakt nog niet dat geen schade aan het onrechtmatig handelen van [eiseres] kan worden toegerekend. Voldoende aannemelijk is dat Allgo c.s. hun vorderingen uit hoofde van het arbitraal vonnis van 15 juni 2018, de cessies weggedacht, op de regresvorderingen hadden kunnen verhalen. Allgo c.s. hebben onweersproken gesteld dat uit de informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat [eiseres 1] in 2017 een eigen vermogen had van 6,5 miljoen euro en in 2018 van 7 miljoen euro. Allgo c.s. hebben er voorts op gewezen dat andere vorderingen die in 2013 op [eiseres 1] bestonden in de loop van de tijd gewoon zijn voldaan. [eiseres] hebben onvoldoende ingebracht tegenover het betoog van Allgo c.s. dat de regresvorderingen (op termijn) verhaalbaar zouden zijn geweest op [eiseres 1] . Dat [eiseres 1] nog andere schulden had, maakt op zichzelf genomen nog niet dat de vorderingen van Allgo c.s. in de hypothetische situatie niet verhaald zouden kunnen worden op [eiseres 1] .
Gezien het vorenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is voldoende komen vast te staan dat Allgo c.s. in de hypothetische situatie dat de cessies van de regresvorderingen niet zouden hebben plaatsgevonden voor de door het scheidsgerecht bij vonnis van 15 juni 2018 toegewezen bedragen van in totaal € 346.547,52 verhaal hadden kunnen nemen op (de regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] ) op [eiseres 1] .”
Als gevolg hiervan heeft onder meer geen (voldragen) partijdebat plaatsgevonden over de vragen of (uit dit eigen vermogen blijkt dat) [eiseres 1] andere vorderingen wél heeft voldaan (zie ook hierna) en hoe dit eigen vermogen tot stand is gekomen en of aannemelijk is dat dit ook (in dezelfde mate) zou zijn gebeurd als de regresvorderingen (onverkort) in het vermogen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] waren gebleven. [58] ”
eerste klacht.
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof “ook in dit verband” ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, voorbijgaat aan het desbetreffende bewijsaanbod van [eiseres] Nu het hof zijn oordeel over de schade mede baseert op het vermeende voldoen door [eiseres 1] van andere vorderingen, is niet (zonder meer) in te zien dat het aanbod van [eiseres] om bewijs te leveren van haar stelling dat ook de andere regresvorderingen concernbreed zijn afgeboekt of verrekend niet relevant zou zijn. Bovendien geldt dat (ook) de bewijslast van (de omvang van) de schade rustte op Allgo c.s., zodat sprake was van een aanbod van [eiseres] om ter zake tegenbewijs te leveren. Voor zover het hof heeft gemeend dat [eiseres] haar betwisting van het voldoen van andere vorderingen niet voldoende heeft gespecificeerd, heeft het derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (“vgl. subonderdeel 1.4”). Dit is de
tweede klacht.
Het voorgaande geldt temeer als het hof in rov. 4.19 niet het oog heeft op de in art. 6:98 BW Pro bedoelde toerekening, in welk geval het hof aan die voor schadevergoeding aan Allgo c.s. vereiste toerekening in het geheel geen motivering heeft gewijd.”
subonderdeel 3.2.
en ook dat door die gedragingen schade bij Allgo c.s. is ontstaan.”
subonderdeel 3.3.
eerste klachtdoel mist.
alleandere vorderingen op [eiseres 1] die toen bestonden dan de regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] op [eiseres 1] , A-G] in de loop der tijd gewoon zijn voldaan”. Dit laatste voert Allgo c.s. daar immers niet bloot aan, maar met de onderbouwing dat dit volgt uit het feit dat blijkens informatie van de Kamer van Koophandel [eiseres 1] nog steeds bestaat en in 2017 een eigen vermogen had van € 6,5 miljoen (per 2018 € 7 miljoen); tenzij het tegendeel door [eiseres] wordt gesteld en aangetoond, wat niet het geval is.
alleandere vorderingen op [eiseres 1] die toen bestonden dan de regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] op [eiseres 1] . Waarmee duidelijk is op welke andere vorderingen het hof daar het oog heeft.
tweede klachtdoel mist. Het hof komt immers niet toe aan het onder 3.17.3 sub c hiervoor bedoelde bewijsaanbod van [eiseres] , omdat [eiseres] - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel in rov. 4.19 - met de stelling waarop dit aanbod betrekking heeft de onder 3.17.2 hiervoor bedoelde gemotiveerde stelling van Allgo c.s. niet gemotiveerd heeft betwist. In welk licht rov. 4.21, eerste alinea, laatste twee zinnen ook moeten worden bezien. Waarmee het hof niet ten onrechte of zonder toereikende motivering voorbijgaat aan dit bewijsaanbod. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 3.4.
Het hof stelt voorop dat de stelling van [eiseres] dat [eiseres 1] ten tijde van de cessies van de regresvorderingen (dus op 26 februari 2014) geen verhaal bood, [73] nog niet maakt dat geen schade aan het jegens Allgo c.s. onrechtmatig handelen van [eiseres] [74] kan worden toegerekend (derde zin). Dat die vlieger niet opgaat, volgt reeds uit rov. 4.14; waarop het hof klaarblijkelijk voortbouwt bij genoemde vooropstelling. In rov. 4.14 zet het hof immers al uitvoerig uiteen dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de regresvorderingen (die waren ontstaan in november 2013) in februari 2014, dus ten tijde van de cessies, in het geheel geen waarde (meer) vertegenwoordigen. Zie onder 3.4.3-3.4.6 hiervoor. Hetgeen uiteraard doorwerkt in genoemde vooropstelling van het hof. Daarbij zij verder bedacht dat, naar het hof onderkent en betrekt in rov. 4.19, het gaat om verhaal door Allgo c.s. van haar vorderingen op Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] uit hoofde van, en volgend op, dat arbitrale vonnis van 15 juni 2018. Wat dus later in tijd ligt dan genoemde cessies. Bovendien geldt het volgende.
Bij de daaropvolgende vaststelling dat voldoende aannemelijk is dat Allgo c.s. haar vorderingen uit hoofde van genoemd arbitraal vonnis, de cessies weggedacht, op de regresvorderingen had kunnen verhalen (vierde zin, weer aansluitend op de tweede zin), betrekt het hof vervolgens nog:
Naar besloten ligt in rov. 4.19 ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat het voor [eiseres] ten tijde van de cessies zodanig onvoorzienbaar was dat bij behoud voor Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] van de regresvorderingen [76] Allgo c.s. langs die weg (op termijn) haar onderhavige vorderingen op Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] [77] had kunnen verhalen, [78] dat dit in het onderhavige geval een beperking van de omvang van de bestuurdersaansprakelijkheid van [eiseres] jegens Allgo c.s. [79] op de voet van art. 6:98 BW Pro rechtvaardigt. [80] Dit is, gelet op het voorgaande, onjuist noch onbegrijpelijk.
Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat het hof in rov. 4.19, tweede alinea in het midden laat of ten tijde van de cessies van de regresvorderingen (dus op 26 februari 2014) [eiseres 1] geen verhaal bood, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en ontbeert het daarmee feitelijke grondslag. Het hof laat dit immers niet in het midden, want verwerpt daar het desbetreffende verweer van [eiseres] Zie onder 3.18.2 hiervoor. Daarmee ontvalt tevens de bodem aan het vervolg van het subonderdeel, waar dit voortbouwt op genoemde veronderstelling.
Voor zover het subonderdeel los van genoemde veronderstelling nog aanvoert dat het hof in rov. 4.19, tweede alinea nader had moeten ingaan op de vraag of latere verbetering van [eiseres 1] ’s financiële positie (en daarmee verhaalbaarheid van de regresvorderingen) te voorzien was voor [eiseres] ten tijde van de cessies, dit in het bijzonder vanwege een juist daartoe strekkend betoog met ontkennende beantwoording zijdens [eiseres] , snijdt het evenmin hout. Blijkens rov. 4.19 ontwaart het hof een dergelijk (aan art. 6:98 BW Pro rakend) betoog van [eiseres] niet in de gedingstukken. Zie onder 3.18.2 hiervoor. Onbegrijpelijk is dit niet. Een dergelijk betoog lees (ook) ik niet in de vindplaatsen die het subonderdeel noemt bij sub (i), [81] noch in de vindplaatsen die het subonderdeel noemt bij sub (ii). [82] Zie overigens hetgeen ik uiteenzette onder 3.18.2, laatste alinea hiervoor, waaraan het subonderdeel eveneens voorbijziet. Wat wel in die vindplaatsen te lezen valt, maakt, gezien ook al hetgeen het hof betrekt in rov. 4.19, niet dat het hof diens schadeoordeel daar nog weer nader had moeten motiveren.
Voor zover het subonderdeel verder en tot slot nog separaat veronderstelt dat het hof in rov. 4.19 niet (ook) art. 6:98 BW Pro in de analyse betrekt, geldt eveneens dat het uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Uit de bewoordingen van het hof - mede in rov. 4.19, eerste alinea, eerste zin en tweede alinea, derde zin - blijkt immers reeds genoegzaam dat het hof dit daar, onder het opschrift “Schade”, wel doet. Dit laatste wordt niet anders doordat het hof dus geen reden ziet in het onderhavige geval de omvang van de bestuurdersaansprakelijkheid van [eiseres] jegens Allgo c.s. op de voet van art. 6:98 BW Pro te beperken. Zie onder 3.18.2 hiervoor.