ECLI:NL:PHR:2023:1156

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
23/01625
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Conclusie AG over beklag tegen beslag op bedrijfspanden en ICT-dossiers in fraudeonderzoek voedselketen

In deze zaak betreft het cassatieberoep van een klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaarde. Het klaagschrift strekte tot opheffing van beslag op fysieke dossiers en een back-up van het ICT-systeem, alsmede tot vernietiging en verbod op gebruik van de vastgelegde gegevens in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De behandeling van het klaagschrift vond plaats in de raadkamer, waarbij de zitting op 7 februari 2023 openbaar was. De rechtbank heeft op 7 maart 2023 de beschikking uitgesproken. De klaagster stelde twee middelen van cassatie voor, waarvan het eerste middel betrekking had op klachten over het verschoningsrecht.

De Procureur-Generaal concludeert dat het eerste middel faalt en adviseert de klaagster niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het gaat om klachten over het verschoningsrecht. Het tweede middel blijft onbesproken. Er zijn geen gronden gevonden die aanleiding geven tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring voor het eerste middel en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De zaak is verbonden met meerdere andere zaken met soortgelijke klachten en procedures. De datum van de beschikking is vastgesteld op 7 maart 2023, ondanks een kennelijke verschrijving in de datumvermelding bovenaan de beschikking.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard voor klachten over verschoningsrecht en beroep verworpen voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01625 Bv
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 maart 2023 [1] het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de inbeslaggenomen stukken respectievelijk vernietiging van en verbod op het gebruik van de vastgelegde gegevens, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01615, 23/01617, 23/01618, 23/01619, 23/01620, 23/01621, 23/01622, 23/01626, 23/01627, 23/01628, 23/01632, 23/01633, 23/01634, 23/01635, 23/01636, 23/01639, 23/01640, 23/01641, 23/01642, 23/01643 en 23/01644. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. Th.J. Kelder, advocaat te De Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.De middelen

2.1
Het eerste middel faalt. De klaagster dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft. De redenen daarvoor heb ik opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de medeklager [medeklager], onder nummer 23/01615. [2]

3.Conclusie

3.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel dient onbesproken te blijven.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bovenaan de bestreden beschikking wordt de datum van 7 februari 2023 genoemd. Onderaan de beschikking staat echter vermeld dat deze op 7 maart 2023 in het openbaar is uitgesproken. Verder houdt de beschikking onder meer in dat de behandeling van het klaagschrift op 2 april 2021 door de meervoudige economische raadkamer is aangehouden en op 7 februari 2023 is voortgezet. In het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 7 februari 2023 is voorts gerelateerd dat het klaagschrift op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting is behandeld en dat de beschikking op 28 februari 2023 ter openbare terechtzitting zal worden uitgesproken. De “Akte instellen cassatie” houdt – kort gezegd – in dat op 21 maart 2023 namens de klaagster cassatieberoep wordt ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2023. Het bovenstaande maakt dat ik ervan uitga dat de vermelding van de datum van 7 februari 2023 bovenaan de beschikking en datum van 28 februari 2023 in bovengenoemd proces-verbaal berust op een kennelijke verschrijving en ik de beschikking aldus versta dat deze dateert van 7 maart 2023 en bovengenoemd proces-verbaal van 7 februari 2023.
2.De middelen die strekken tot cassatie van de bestreden beschikkingen in deze twee samenhangende zaken zijn afkomstig van dezelfde cassatieadvocaat en zijn gelijkluidend. Daarnaast is de inhoud van de klaagschriften, de processen-verbaal van de gelijktijdige behandeling daarvan in raadkamer van 2 april 2021 en 7 februari 2023 en de bestreden beschikkingen van de rechter-commissaris en de rechtbank van 30 augustus 2022 en 7 maart 2023 (nagenoeg) identiek.