De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet onverwijld melden van een ongebruikelijke transactie van USD 16.000 op 17 augustus 2017. Het Hof stelde vast dat de verdachte als directeur en bestuurder van de betrokken rechtspersoon verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering en het naleven van de meldplicht, ondanks dat zij zelf geen melding deed en de cheque-transacties onder verantwoordelijkheid van een medeverdachte vielen.
De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs voor feitelijk leidinggeven onvoldoende was gemotiveerd en dat de melding wel onverwijld zou zijn gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat feitelijk leidinggeven niet vereist dat de verdachte zelf de melding heeft gedaan, maar dat het nalaten van het nauwkeurig controleren van de naleving van de meldplicht, terwijl zij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was, voldoende is. De Hoge Raad verwierp ook het verweer dat de melding alsnog onverwijld was gedaan, omdat de verdachte en haar medeverdachte niet op de hoogte waren van gewijzigde wetgeving, aangezien iedereen geacht wordt de wet te kennen.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof de bewezenverklaring voldoende heeft gemotiveerd en dat de middelen falen. Daarmee blijft de veroordeling van de verdachte wegens feitelijk leidinggeven aan het niet onverwijld melden van de ongebruikelijke transactie in stand.