De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 juli 2016. Het hof legde een gevangenisstraf op van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Het eerste middel van cassatie betrof de klacht dat het hof ten onrechte het strafmaximum van artikel 420ter Sr, zoals dat sinds 1 januari 2015 geldt (acht jaar), toepaste terwijl het oude strafmaximum (zes jaar) van toepassing zou zijn geweest. De Hoge Raad oordeelde dat het verschil alleen in het strafmaximum ligt en dat het hof de straf binnen het oude maximum hield. Bovendien ontbrak een concrete onderbouwing waarom het hof uitsluitend het nieuwe artikel zou hebben toegepast. Daarom kon het middel niet tot cassatie leiden.
Het tweede middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege late indiening van stukken. De Hoge Raad stelde dat zolang uitspraak voor 21 oktober 2022 wordt gedaan, de vertraging gecompenseerd is. Dit middel faalde eveneens.
De Hoge Raad vond geen andere gronden voor vernietiging en verwierp het cassatieberoep. De uitspraak bevestigt dat bij feiten die zich over een overgangsperiode van wetswijzigingen uitstrekken, het toepasselijke strafmaximum zorgvuldig moet worden beoordeeld, maar dat het hof hier geen onrechtmatigheid beging.