Conclusie
[aangever]:
het hof begrijpt: [verdachte]) was ZZP-er bij ons. Hij heeft omstreeks 10 februari 2018 zijn laatste rit gehad. Hij kreeg nog een bedrag van ongeveer € 3.100. Dat zou op 2 maart 2018 worden gestort. Dat wist [verdachte] . [verdachte] wilde zijn geld hebben en stuurde WhatsAppberichten, inhoudende: “Ik steek je auto’s in de fik; ik steek alles in de fik, ik sla alles kort en klein”.
het hof begrijpt: van 19 februari 2018) bekeken van het pand gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . De beelden zijn genomen met een Domecamera, waardoor het hele magazijn en de ingang (roldeur) zichtbaar is. Ik zag het volgende. Verdachte [verdachte] komt via de ingang van het magazijn naar binnen gelopen. Hij doet zijn helm af. Een tweede persoon komt er achter aan gelopen; die houdt zijn zwarte helm op. Aangever [aangever] loopt naar [verdachte] . Aangever duwt met zijn buik tegen [verdachte] . Aangever zegt: “Met z’n tweeën? Wegwezen uit mijn pand”. Aangever loopt het magazijn in. [verdachte] loopt achter hem aan. De tweede man met de helm loopt naar buiten. [verdachte] zegt: “Luister [aangever] , jij gaat betalen vandaag”. Aangever duwt wederom met zijn buik tegen [verdachte] aan en zegt: “Mijn pand uit”. [verdachte] zegt: “Luister jij gaat morgen niet werken”. De man met de helm komt het magazijn weer naar binnengelopen. Er volgt een gesprek dat niet goed te verstaan is omdat men door elkaar praat op een harde wijze. Aangever staat met zijn handen in zijn zakken. [verdachte] brengt zijn gezicht dicht bij het gezicht van aangever. De man met de helm zegt het een en ander. Hierbij wijst hij naar aangever. Aangever probeert het factureren uit te leggen maar [verdachte] blijft door hem heen praten. [verdachte] blijft steeds met zijn vinger in het gezicht van aangever wijzen. De man met de helm blijft ook doorpraten. Op een gegeven moment geeft [verdachte] de man met de helm een duwrichting de uitgang. [verdachte] zegt tegen aangever: “Wat wil je doen dan, wat wil je doen dan?” Aangever zegt: “Als je zo blijft doen, doe ik helemaal niets meer”. De man met de helm praat er weer door heen. Wederom krijgt hij een duw van [verdachte] en wijst hem naar buiten. [verdachte] zegt tegen aangever: “Waarom kijk je naar hem”? Er wordt weer veel, op harde wijze, gesproken met elkaar. De man met de helm komt weer teruglopen naar [verdachte] en aangever. Hij zegt dan: “We steken alles in de fik hier” en “Ik ga je tanden uit je kankerbek slaan”. [verdachte] zegt: “Ik zweer het je, ik maak je kapot, ik ga je tent slopen. Ik steek je kankerbanden in de fik. Niemand gaat hier rijden. Jij gaat morgen niet werken. Ik heb schijt aan die regels. Ik wil mijn geld. Ik dreig niet. Ik heb niets met hun te maken, Ik wil mijn geld en wel vandaag”.
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 mei 2018. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[verdachte]:
het hof begrijpt: de verdachte) zou hebben gezegd: “Ik sla je in elkaar”. Ja, dat heeft hij gezegd.”
niettot het bewijs zijn gebezigd. Hoewel ik de steller van het middel kan volgen in zijn standpunt dat er gevallen denkbaar zijn waarin voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring een nadere motivering kan zijn vereist voor het
niettot het bewijs bezigen van een eigen waarneming van de rechter in de zin van art. 340 Sv Pro, zie ik niet dat zo een geval zich in de voorliggende zaak voordoet. Anders dan de steller van het middel, zie ik namelijk geen significante verschillen tussen wat als waarnemingen van het hof in het proces-verbaal van de terechtzitting staat genoteerd aan de ene kant en hetgeen uit het wel voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van de opsporingsambtenaar (bewijsmiddel 2) blijkt aan de andere kant. Ik licht dat in de volgende drie randnummers toe en ga daarbij in op de drie ‘verschillen’ die in de toelichting op het middel worden benoemd.
Ten eersteblijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet, zoals de steller van het middel aanvoert, dat “het hof, anders dan de opsporingsambtenaar, niet heeft waargenomen dat verzoeker bedreigende woorden bezigt”. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat het hof heeft waargenomen dat de verdachte – de man met de helm op – dicht (maximaal een halve meter) op de aangever gaat staan en met luide stem richting aangever praat en dat hoorbaar zijn de woorden ‘in de fik steken’, vrijwel direct gevolgd door ‘je banden’. In zoverre biedt hetgeen in het proces-verbaal van de terechtzitting staat vermeld over de waarneming van het hof geen grond voor de in cassatie betrokken stelling dat het hof niet heeft waargenomen dat de verdachte bedreigende woorden bezigt. Daarnaast verdient opmerking dat, ook als uit de in het proces-verbaal van de terechtzitting opgetekende waarnemingen van het hof niet zou blijken dat de verdachte bedreigende woorden heeft gebezigd, dit niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat een (significant) verschil bestaat tussen de uit het proces-verbaal van de terechtzitting gedane waarneming van het hof en wat uit de gebruikte bewijsmiddelen over het gebeurde blijkt. Aan het feit dat een bepaalde, wel uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkende, omstandigheid door het hof ter terechtzitting in het kader van het mondeling mededelen van de korte inhoud van de stukken van het dossier niet als eigen waarneming uitdrukkelijk is genoemd, kan namelijk niet worden ontleend dat deze omstandigheid door de rechter onjuist of irrelevant is geacht. Dat de gebruikte bewijsmiddelen meer en uitvoerigere vaststellingen bevatten dan wat over het gebeurde is gebleken in het kader van de door het hof ter terechtzitting verkort medegedeelde inhoud van het dossier, ligt naar mijn inzicht ook nogal voor de hand. Terzijde zij opgemerkt dat over het verkort mededelen van de inhoud van de stukken door het hof niet wordt geklaagd in cassatie. Kortom, in de aangevoerde omstandigheid dat “het hof, anders dan de opsporingsambtenaar, niet heeft waargenomen dat verzoeker bedreigende woorden bezigt” zie ik geen grond voor de stelling dat een verschil bestaat tussen wat het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft waargenomen en hetgeen het heeft vastgesteld aan de hand van de gebruikte bewijsmiddelen, meer in het bijzonder het genoemde proces-verbaal van de opsporingsambtenaar.
Ten tweedekan ik niet inzien dat, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, “het hof waarneemt dat na de woorden ‘in de fik steken’ direct wordt gezegd ‘je banden’ terwijl blijkens de waarneming van de opsporingsambtenaar hiertussen een reeks aan andere uitlatingen wordt gedaan”. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt immers dat het hof onder meer heeft waargenomen dat “hoorbaar zijn de woorden ‘in de fik steken’, vrijwel direct gevolgd door ‘je banden’”. Met de toevoeging van het woord ‘vrijwel’ aan ‘direct’ heeft het hof klaarblijkelijk willen benadrukken dat er (mogelijk) een aantal voor het hof niet goed waarneembare woorden is geuit tussen de woorden ‘in de fik steken’ en de op enig moment daarna geuite woorden ‘je banden’. Nu de steller van het middel op basis van een onjuiste lezing van het proces-verbaal van de terechtzitting aanvoert dat in dit verband er een verschil bestaat tussen de waarneming van het hof die in dat proces-verbaal is opgetekend en de waarnemingen van de opsporingsambtenaar die door deze in het proces-verbaal van bevindingen zijn gerelateerd en door het hof voor het bewijs zijn gebruikt (bewijsmiddel 2), mist deze deelklacht feitelijke grondslag.
Ten derdevoert de steller van het middel ten onrechte aan dat “het hof heeft waargenomen dat verzoeker wegloopt en daarna weer terug komt, terwijl dat uit de waarnemingen van de opsporingsambtenaar niet blijkt”. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep lees ik niet de waarneming van het hof dat de verdachte – de man met de helm op – is weggelopen en weer is teruggekomen. Ook in zoverre mist het in de toelichting op het middel aangevoerde dus feitelijke grondslag.
medegepleegd door de in de bewezenverklaring omschreven woorden,
althans woorden van gelijke strekking, te uiten. De hiervoor door mij gecursiveerde onderdelen maken duidelijk dat voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring in de voorliggende zaak niet van doorslaggevend belang is dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte zelf letterlijk ieder van de in de bewezenverklaring omschreven woorden/zinnen heeft geuit. Voldoende is immers dat de bewijsvoering van het hof grond biedt voor het oordeel dat de verdachte
tezamen en in vereniging met een anderdeze woorden,
althans woorden van gelijke strekking, heeft geuit jegens het slachtoffer. Die grond biedt de gebruikte bewijsvoering van het hof zonder meer. De door het hof niet voor het bewijs gebruikte eigen waarnemingen die in het proces-verbaal van de terechtzitting zijn genoteerd, doen daaraan, gelet ook op de ruimte die de bewezenverklaring biedt, niets af.