ECLI:NL:PHR:2022:553
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie in het belang der wet over verplichte aanschaf eHerkenning voor digitale belastingaangifte
De zaak betreft een geschil over de wettelijke grondslag voor de verplichting aan belastingplichtigen om eHerkenning aan te schaffen voor het digitaal doen van aangifte loonheffingen via het portaal MijnBelastingdienst zakelijk (MBD-Z). Sinds 1 januari 2020 is het verplicht om hiervoor eHerkenning met betrouwbaarheidsniveau 3 te gebruiken, een middel dat alleen tegen betaling bij commerciële partijen verkrijgbaar is.
De Rechtbank Gelderland oordeelde op 15 februari 2022 dat geen wettelijke basis bestaat voor deze verplichting en vernietigde de naheffingsaanslag. De Staatssecretaris en Inspecteur gingen niet in hoger beroep omdat de belanghebbende over het betreffende tijdvak geen loonheffingen verschuldigd was, maar betwistten het oordeel van de Rechtbank over de wettelijke basis.
De Procureur-Generaal stelt dat de wettelijke basis wel bestaat in artikel 2:15 Awb Pro en artikel 3a AWR, die de minister de bevoegdheid geven nadere eisen te stellen aan het elektronische berichtenverkeer. De Regeling EBV verplicht het gebruik van eHerkenning conform Europese beveiligingseisen. De kosten voor eHerkenning zijn beperkt en er bestaat een compensatieregeling. Het gebruik van eHerkenning dient ook het belang van beveiliging en privacy.
De Procureur-Generaal vordert vernietiging van het vonnis zonder nadeel voor de partijen, omdat het in het algemeen belang is dat de Hoge Raad zich uitspreekt over de rechtmatigheid van de verplichting tot het gebruik van eHerkenning.
Uitkomst: Vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld tegen vernietiging naheffingsaanslag wegens ontbreken wettelijke basis eHerkenning.