Conclusie
curator)
[verweerder 1])
[Holding])
[verweerster 3])
[verweerders], in vrouwelijk enkelvoud)
1.Feiten
hof) van 5 oktober 2021. [1] Daar gaat het hof uit van de feiten als vastgesteld in eerste aanleg door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna ook: de
rechtbank).
[A]) is bij vonnis van de rechtbank van 29 maart 2016 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator als zodanig.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
primairhet totale tekort in het faillissement van [A] en
subsidiairde totale door [A] c.q. haar gezamenlijke crediteuren geleden en te lijden schade, telkens nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; (onder IV)
eindvonnis) het gevorderde afgewezen en de curator, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten veroordeeld. [3]
arrest) heeft het hof het eindvonnis bekrachtigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen. En de curator veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep.
a) Er is geen staat van baten en lasten aangetroffen. Dit terwijl deze ex art. 2:10 lid 4 BW Pro te allen tijde op papier beschikbaar dient te zijn.
b) De gevraagde (veelal in papieren vorm aan de failliet verschafte) bronstukken (in- en verkoop facturen, overeenkomsten, bankafschriften etc.) zijn niet aangereikt;
c) De individuele mutaties geven reden tot tal van vragen.
d) Er is geen project administratie van de verscheidende aangenomen projecten van de failliet beschikbaar.
e) Er zijn geen administratieve bescheiden beschikbaar ter zake de overdracht van activiteiten en projecten van [verweerster 3] aan [A] . Dit terwijl ten minste aanwezig hadden moeten zijn, i) een overzicht van de stand van zaken op datum overdracht, ii) een liquiditeitsprognose, iii) begrotingen en iv) een businessplan. Ook moet uit de stukken volgen hoe ter zake de verschillende bij overdracht lopende projecten is afgerekend tussen partijen. Er is nu zelfs geen concludent overzicht over welke projecten zijn overgenomen, laat staan wat de stand van zaken per project was.
f) Er zijn geen stukken beschikbaar ter zake de overdracht van activiteiten en projecten van de failliet aan [Holding] . Ook hier hadden overzichten moeten zijn van de stand van zaken op het moment van feitelijke overdracht. Het gaat hierbij om in- en verkoopfacturen op datum overdracht, daarnaast om overzichten van wat door de opdrachtgevers op dat moment betaald was en wat nog aan de toeleveranciers ter zake moest worden betaald en overzichten wat [A] en [Holding] in dat kader onderling af te rekenen hadden. Dit klemt te meer nu veel van deze stukken na faillissement van [A] BV aan de Rabobank zijn aangereikt. Zie de mail van de curator van 13 juli 2020 (productie 31) geciteerd in par 47 hiervoor.
g) De administratie was op datum faillissement niet bijgewerkt. Eerst op 11 mei 2016 - zes weken na faillissement - is de administratie bijgewerkt en aangeleverd. Dat voldoet niet aan art. 2:10 lid 4 BW Pro.
h) Er is niet tijdig een actuele debiteuren- en crediteurenadministratie aangereikt.
i) De wel aangereikte voorlopige saldilijsten geeft aanleiding tot tal van vragen
j) De fiscale administratie was aantoonbaar niet bij.
- salaris 1 pt t VII € 4.851,--.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Met het voorgaande is tevens gegeven dat in stand blijft wat het hof overweegt in rov. 3.8, vijfde zin inzake grief II van de curator. Dat de rechtbank “terecht” heeft geoordeeld dat onvoldoende gebleken is dat [verweerders] geen deugdelijke administratie heeft overgelegd, bouwt immers voort op ’s hofs voorbijgaan in rov. 3.5, laatste zin aan alle desbetreffende stellingen van de curator, welk oordeel als gezegd - zie de drie alinea’s hiervoor - in stand blijft. Het hof verwijst daar in rov. 3.8, vijfde zin dus niet slechts naar het oordeel van de rechtbank ter zake, en betrekt daarbij dus wat de curator ter zake heeft aangevoerd in hoger beroep (in de memorie van grieven). Het vervolg van rov. 3.8, vijfde zin doet daaraan niet af, reeds nu het daar gaat om een overweging ten overvloede (“hetgeen overigens gestaafd wordt door het feit”, etc.) die het voorgaande onverlet laat.
Uit dit een en ander volgt dat de klachten in het subonderdeel hoe dan ook moeten stranden op een gebrek aan belang. Bij deze stand van zaken behoeft het subonderdeel geen verdere behandeling.
Ten eerstedat de curator na ontvangst van de in rov. 3.2, aanhef en sub i bedoelde door BDO bijgewerkte administratie, zoals toegezonden door de advocaat van [verweerder 1] bij e-mail van 11 mei 2016, ook volgens het subonderdeel zelf [8] eerst medio 2020 gerichte verzoeken heeft gedaan aan (de advocaat van) [verweerders] tot het aanreiken van delen van de administratie. Dus ruim vier jaar later, en royaal na het eindvonnis.
Ten tweededat door [verweerders] al bij conclusie van antwoord is aangevoerd dat de curator vanaf het faillissement van [A] beschikte over alle toen voorhanden administratie (die voldeed aan de daaraan te stellen eisen), en wel via de computer van [A] die zich bevond in het bedrijfspand waarin zij was gevestigd, welk pand door de curator van andere sloten is voorzien en is gesloten. De volledige inhoud van deze computer - met daarop ook alle financiële gegevens van [Holding] en [verweerder 1] privé, waaronder al het e-mailverkeer - is gekopieerd door de belastingdienst, samen met de curator. [9] Ter comparitie van partijen op 11 september 2019 is door [verweerders] onder meer herhaald dat “alle administratie op de computer beschikbaar [was]”, waarop de curator toen mede liet optekenen niet te weten of de grootboekrekeningen op de computer stonden. [10] Deze “digitale administratie” komt terug in rov. 3.5-3.8 van het eindvonnis, die voor zich spreken.
Ook in de memorie van grieven [11] ben ik geen passage tegengekomen waarin de curator dit feitelijke betoog van [verweerders] in eerste aanleg [12] gericht en onderbouwd heeft weersproken. Er is wel een productie (30) bij die memorie. Eerst aan het slot daarvan (p. 4-5, nrs. 13-15) merkt de curator op, gerelateerd aan genoemde comparitie waarbij die digitale administratie aan de orde is gekomen, dat die data van de computer van [A] destijds door hem “niet uit te lezen was” en zou kunnen worden uitgelezen “via BDO”. En wijst hij op correspondentie tussen hem en (de advocaat van) [verweerders] uit een periode na genoemde comparitie, lopend vanaf 13 september 2019 t/m 31 oktober 2019. [13] Daarmee is genoemd betoog van [verweerders] evenwel nog niet afgedekt.
te allen tijdebeschikbaar moet zijn, ’s hofs oordeel onvoldoende is gemotiveerd nu het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van de curator dat onder meer niet aan de administratieplicht is voldaan omdat in elk geval wat betreft een deel van de administratie het ruim zes weken heeft geduurd om die administratie bij te werken en die administratie dus niet te allen tijde beschikbaar was. [14]
nietkunnen worden gekend, [16] wat relevant is voor de vraag of aan de administratieplicht is voldaan.
subonderdeel 1.2.2. Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik lees nergens in het bestreden oordeel - dus rov. 3.5 en 3.8, vijfde zin - dat het hof daar de opvatting huldigt dat aan de administratieplicht “reeds is voldaan als op enig moment over een volledige administratie kan worden beschikt”, althans een andere opvatting huldigt inzake art. 2:10 lid 1 BW Pro dan voorgestaan door het subonderdeel. Zoals volgt uit de behandeling van subonderdeel 1.2.1 hoefde het hof zo’n opvatting ook niet te huldigen om voorbij te kunnen gaan aan alle desbetreffende stellingen van de curator (als bedoeld in rov. 3.4), gelijk het doet in rov. 3.5, en daarop voort te bouwen in rov. 3.8, vijfde zin. Zie onder 3.4-3.4.3 hiervoor.
subonderdeel 1.2.2.1. Ook dit loopt vast. In rov. 3.4 onderkent het hof als gezegd dat de curator in hoger beroep heeft gegriefd tegen rov. 3.8 van het eindvonnis, daarbij in de memorie van grieven uitvoerig en aan de hand van concrete stellingen en cijfers betogend dat aan de curator geen behoorlijke administratie is verschaft waaruit de rechten en verplichtingen van de boedel kunnen worden afgeleid. Tot dat betoog behoren de vindplaatsen in die memorie waarop het subonderdeel wijst. Dat betreft (i) een algemene uitweiding over art. 2:10 lid 1 BW Pro (nr. 58), (ii) de stelling “Saldi balans en grootboek te laat overgelegd” (nr. 63) en (iii) het door het hof in rov. 3.4 sub g geciteerde (nr. 74 sub g). Voor zover daarin door de curator is gesteld dat de administratie niet voldeed aan de ‘te allen tijde’-eis van art. 2:10 lid 1 BW Pro als bedoeld in het subonderdeel, wat neerkomt op ad (ii) wat betreft de “Saldi balans”, [17] respondeert het hof daarop reeds en afdoende door in rov. 3.5, eerste zin voorop te stellen dat [verweerders] de stellingen van de curator gemotiveerd heeft betwist (te lezen in verbinding met rov. 3.8, tweede zin). Wat goed navolgbaar is in het licht ook van de memorie van antwoord zijdens [verweerders] [18] Zie tevens onder 3.4.3 hiervoor. Hieraan ziet het subonderdeel voorbij.
subonderdeel 1.2.2.2. Dit loopt eveneens vast, in het voetspoor van subonderdeel 1.2.2.1. Zie onder 3.6.2 hiervoor. Tot het in rov. 3.4, eerste zin bedoelde betoog van de curator behoren de vindplaatsen in diens memorie van grieven waarop het subonderdeel wijst wat betreft de stelling van de curator dat de aan hem aangeleverde administratie geen goed zicht geeft op de rechten en verplichtingen van de vennootschap. Dat betreft “het ontbreken van bronstukken” (nr. 69), “Bankafschriften [verweerster 3] ” (nr. 73) en “Opnieuw niet verschaffen van de opgevraagde administratie” (nr. 79). Voor zover daarin door de curator is gesteld dat de aan hem aangeleverde administratie geen goed zicht geeft op de rechten en verplichtingen van de vennootschap als bedoeld in het subonderdeel, respondeert het hof daarop reeds en afdoende door in rov. 3.5, eerste zin voorop te stellen dat [verweerders] de stellingen van de curator gemotiveerd heeft betwist (te lezen in verbinding met rov. 3.8, tweede zin). Wat goed navolgbaar is in het licht ook van de memorie van antwoord zijdens [verweerders] [19] Zie tevens onder 3.4.3 hiervoor. Daarmee valt ook de bodem weg onder de laatste zin van het subonderdeel, wat geen verdere toelichting behoeft. Hieraan ziet het subonderdeel voorbij.
Tot slot: voor zover het subonderdeel veronderstelt dat het hof in rov. 3.5 en/of rov. 3.8, vijfde zin oordeelt “dat aan de administratieplicht op grond van art. 2:10 BW Pro is voldaan”, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Een dergelijk ‘positief’ oordeel velt het hof immers niet in het arrest.
Aldus reageert het hof wel degelijk, en navolgbaar, op genoemde stellingname van de curator (zie c).
eerste klachtin het subonderdeel.
Het subonderdeel klaagt verder dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom de door het hof genoemde omstandigheden in dit geval maken dat geen sprake is van een onrechtmatige overname als door de curator gesteld, zeker nu de curator juist aan zijn vorderingen en de in dat kader gestelde onrechtmatigheid ten grondslag heeft gelegd dat [Holding] de activiteiten van de failliet heeft voortgezet met gebruikmaking van de immateriële activa van de failliet “ondanks dat er geen overeenstemming was tussen de curator en [Holding] .” [32] Dit is de
tweede klachtin het subonderdeel.
subonderdeel 2.4.2.
De
eerste klachtziet niet alleen eraan voorbij dat het hof in het arrest meer ten grondslag legt aan zijn verwerping van de onder 3.14.1 sub c hiervoor bedoelde stellingname van de curator dan de klacht veronderstelt, gelet op 3.14.1 sub b en d hiervoor. De klacht ziet ook eraan voorbij wat genoemde stellingname van de curator behelst. Dat is naar de kern genomen dat [Holding] de activiteit van [A] heeft voortgezet met gebruikmaking van de materiële en immateriële activa
zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Dit in rov. 3.3 weergegeven en in cassatie onbestreden gebleven verwijt van de curator aan het adres van [verweerders] , waarop het hof aldus respondeert, is niet hetzelfde als wat de klacht centraal stelt; te weten (de onrechtmatigheid van) het toe-eigenen van actief van een ander. Daarmee valt reeds de bodem weg onder de klacht: de daarin bedoelde miskenning door het hof doet zich in werkelijkheid niet voor. Wordt uitgegaan van al datgeen het hof ten grondslag legt aan zijn verwerping van genoemde stellingname van de curator, dan valt heel wel in te zien waarom die omstandigheden de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [verweerders] niet een (bestuurders)aansprakelijkheid vestigend verwijt te maken valt van het uitblijven van genoemde vergoeding. Kort en goed: aan [verweerders] heeft dit laatste niet gelegen.
Dan de
tweede klacht. Deze sneeft in lijn met het voorgaande. Gezien al datgeen het hof ten grondslag legt aan zijn verwerping van genoemde stellingname van de curator is ook zonder nadere motivering begrijpelijk waarom volgens het hof [verweerders] niet een (bestuurders)aansprakelijkheid vestigend verwijt te maken valt als bedoeld in die stellingname van de curator. Daaraan doet niet af wat de klacht aan het slot nog opmerkt (“zeker nu de Curator”, etc.), reeds omdat het hof zich - zie ook de vorige alinea - dus richt op die stellingname van de curator als weergegeven in rov. 3.3, in cassatie onbestreden. Overigens betrekt het hof in rov. 3.6 (en rov. 3.2, aanhef en sub h) ook met zoveel woorden de bespreking op 5 april 2016 in het bijzijn van een medewerker van het UWV die de curator noemt in de vindplaats in de memorie van grieven waarop de klacht doelt.
subonderdeel 2.4.3. Ook deze klacht ziet eraan voorbij dat het hof in het arrest meer ten grondslag legt aan zijn verwerping van de onder 3.14.1 sub c hiervoor bedoelde stellingname van de curator dan de klacht veronderstelt, gelet op 3.14.1 sub b en d hiervoor. In het bijzonder verdient opmerking dat het hof daarbij mede betrekt dat de administratie van [A] toen kennelijk beschikbaar was, ook voor de curator, zoals blijkt uit het in de relevante periode door de belastingdienst ingestelde onderzoek in die administratie. Hetgeen impliceert dat het voor de curator toen wel degelijk mogelijk was het door [verweerders] gedane bod te beoordelen. Het hof respondeert hiermee dus wel degelijk op de stelling van de curator waarop de klacht zich beroept (“terwijl de Curator heeft gesteld”, etc.). Kortom: ook hetgeen de klacht aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat ’s hofs bestreden oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
subonderdeel 2.4.4. Zoals volgt uit de behandeling van subonderdelen 2.4.2-2.4.3 houdt de door het subonderdeel bedoelde omstandigheid (zie rov. 3.6, voorlaatste zin) wel degelijk verband met, en is deze wel degelijk relevant voor, de onder 3.14.1 sub c hiervoor bedoelde stellingname van de curator en ’s hofs verwerping daarvan, waarover onder 3.14.1 sub b en d hiervoor. Daarbij zij weer bedacht dat het hof zich richt op die stellingname van de curator als weergegeven in rov. 3.3, in cassatie onbestreden. Zie onder 3.16.1-3.16.2 hiervoor. Hierop loopt het subonderdeel stuk.
eerste klachtin het subonderdeel.
Bovendien, zo vervolgt het subonderdeel, geldt dat voor zover uit het procesdossier kan worden afgeleid dat het bedrijf van [A] al voor het faillissement was gestaakt die staking het gevolg is van het feit dat [Holding] zich die onderneming - met inbegrip van de goodwill - heeft toegeëigend, [35] welke gedraging de curator nu juist ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen op grond van art. 2:248 BW Pro en art. 6:162 BW Pro. [36] Voor zover er van goodwill geen sprake meer was, diende het hof dus juist te beoordelen of de curator [verweerder 1] en [Holding] daarvan terecht een verwijt maakt. Die beoordeling ontbreekt, althans de beoordeling in rov. 3.6 en 3.8, negende en tiende zin volstaat niet (“zie de klachten in nrs. 2.4.1-2.4.4 hiervoor”). Dit is de
tweede klachtin het subonderdeel.
eerste klachtziet eraan voorbij dat het hof in rov. 3.8, voor-voorlaatste zin van het arrest niet miskent dat ondanks de staking van een onderneming sprake kan zijn van goodwill die een bepaalde waarde vertegenwoordigt, maar tot uitdrukking brengt dat in dit geval ten tijde van het faillissement van [A] van goodwill geen sprake was, reeds omdat haar bedrijf al voor dit faillissement was gestaakt. Daarmee verwerpt het hof tevens de stellingen van de curator in de memorie van grieven waarop de klacht zich beroept. Welke stellingname het hof, alleszins begrijpelijk, aldus verstaat dat er volgens de curator ten tijde van het faillissement van [A] van goodwill wél sprake was. [37]
tweede klachtziet eraan voorbij dat het hof in rov. 3.3 weergeeft wat de curator aan zijn (bestuurders)aansprakelijkheidsvorderingen ten grondslag heeft gelegd, in cassatie onbestreden. Tot die weergave behoort niet een verwijt van de curator inzake (bestuurders)aansprakelijkheid aan het adres van [verweerder 1] en [Holding] als bedoeld in de klacht. Zie onder 3.14.1 sub a, c en e hiervoor. Zo’n verwijt lag aldus niet ter beoordeling door het hof voor en is door het hof dan ook niet beoordeeld. Wat de klacht aanvoert, brengt dan niet mee dat het hof wel zo’n verwijt had moeten beoordelen. Overigens acht ik het geenszins onbegrijpelijk, gezien ook het verweer van [verweerders] [38] en 3.18.1 hiervoor, dat het hof in de vindplaatsen in de memorie van grieven zijdens de curator waarop de klacht doelt niet leest een te onderscheiden verwijt van de curator inzake (bestuurders)aansprakelijkheid aan het adres van [verweerder 1] en [Holding] erop neerkomend dat er ten tijde van het faillissement van [A] “van goodwill geen sprake meer was”. Voor zover de klacht nog wijst op subonderdelen 2.4.1-2.4.4 geldt dat deze alle falen. Zie onder 3.14-3.14.2 en 3.16-3.16.3 hiervoor.
eerste klachtin het onderdeel.
tweede klachtin het onderdeel.
i.e.de stellingen met betrekking tot het overgelegde rekeningoverzicht) en volstaan zij verder met de blote stelling dat er van de privérekening van [verweerder 1] meer ten behoeve van [A] B.V. werd betaald dan er voor [A] B.V. werd ontvangen. [44] Het is dan ook niet duidelijk waarop het hof baseert dat [verweerder 1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gelden wel aan [A] B.V. ten goede zijn gekomen. Sterker nog, het partijdebat laat geen andere conclusie toe dan dat de stelling van de Curator dat via de bankrekeningen van [verweerster 3] , [Holding] en [verweerder 1] aanzienlijke bedragen aan de failliet zijn onttrokken, onvoldoende gemotiveerd betwist is.”
derde klachtin het onderdeel.
eerste klachtin het onderdeel.
De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag, omdat deze veronderstelt dat volgens het hof de verwijzing in rov. 3.8, zevende zin naar het rekeningoverzicht dat bij conclusie van antwoord in eerste aanleg in het geding is gebracht door [verweerders] op zichzelf “volstaat” ter verwerping van het betoog van de curator inzake het omleiden van geldstromen. Dat is evenwel niet wat het hof ter zake oordeelt. Zoals blijkt uit 3.14.1 sub f hiervoor legt het hof bepaald meer ten grondslag aan zijn verwerping van genoemd betoog van de curator, waarbij bovendien zij gewezen op 3.23.1 hiervoor. Reeds hierop stuit de klacht af.
Ik merk overigens het volgende op over de in de klacht onder a t/m e genoemde stellingen van de curator. De
stelling onder a [45] is blijkens de vindplaats niet meer dan een blote stelling van de curator. [46] De
stelling onder b [47] komt blijkens de vindplaats neer op een vraag van de curator. [48] De
stelling onder c [49] is blijkens de vindplaats een variant op de stelling onder b, dus genoemde vraag van de curator. [50] De
stelling onder d [51] behelst blijkens de vindplaats niet meer dan dat op “de lijst van de accountant” bij genoemd rekeningoverzicht ook (door de curator niet nader gekwantificeerde) betalingen staan die een privékarakter hebben en niet kunnen zien op kosten van [Holding] , [52] waarbij ik opmerk dat het hof nergens overweegt [53] dat genoemd rekeningoverzicht louter betalingen bevat aan of ten behoeve van [A] . De
stelling onder e [54] behelst blijkens de vindplaats niet meer dan dat [verweerder 1] in de periode tussen 13 februari en 23 maart 2016 [55] in totaal een bedrag van € 3.430,-- heeft opgenomen van zijn privérekening en volgens de curator “im frage” blijft waarom de accountant dezes opnames heeft aangemerkt als “betalingen leveranciers en werknemers” (dus als aan [A] ten goede gekomen), wat de curator betwist. [56] M.i. staan deze stellingen a t/m e, waarin de curator bovendien nauwelijks tot geen gerichte aandacht besteedt aan het concrete, uitvoerige en onderbouwde verweer van [verweerders] in eerste aanleg inzake het omleiden van geldstromen (welk verweer ik behandel onder 3.23.3 hierna), niet eraan in de weg dat het hof genoemd rekeningoverzicht betrekt zoals het doet in het verband van rov. 3.8, zesde t/m achtste zin.
tweede klachtin het onderdeel.
Deze ziet vooreerst eraan voorbij dat het hof in rov. 3.8, zesde zin met “het verweer van [verweerders] ” kenbaar doelt op haar verweer in eerste aanleg inzake het omleiden van geldstromen (waarover nader hierna), welk verweer de klacht negeert. Het hof overweegt immers dat de curator “tegenover het verweer van [verweerders] ” niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de geldstromen verwijtbaar handelen van [verweerders] opleveren, gevolgd door de overweging dat bij conclusie van antwoord in eerste aanleg reeds genoemd rekeningoverzicht in het geding is gebracht door [verweerders] Het gaat het hof hier dus om hetgeen de curator ter zake heeft aangevoerd in diens memorie van grieven, afgezet tegen dat verweer van [verweerders] in eerste aanleg. Daarbij merk ik nog op dat nadat in hoger beroep door [verweerders] de memorie van antwoord was genomen volgend op de memorie van grieven zijdens de curator, de stukken in handen zijn gesteld van het hof voor het wijzen van arrest, waarbij zij aangetekend dat [verweerders] geen procesdossier heeft overgelegd (zie rov. 2.3-2.4).
Bezien wij dat verweer van [verweerders] in eerste aanleg, [57] dan blijkt daaruit kort gezegd het volgende. In reactie op de stelling van de curator [58] dat debiteuren van [A] niet aan haar betaalden maar “aan gedaagden” (dus [verweerders] ), [59] en dat [verweerder 1] op 30 juli 2015 namens [A] een eerste hoeveelheid van 200 vellen briefpapier bestelde waarop niet het rekeningnummer van [A] maar het privérekeningnummer van [verweerder 1] werd afgedrukt, heeft [verweerders] uiteengezet dat dit slechts gedeeltelijk juist is. Want inderdaad heeft [verweerder 1] op 30 juli 2015 briefpapier besteld waarop niet het rekeningnummer van [A] stond, wel een privérekeningnummer. Maar de stelling dat een gat van € 250.000,-- haar oorzaak zou hebben gevonden in het feit dat debiteuren niet aan [A] betaalden, maar aan [verweerder 1] (“de curator stelt ten onrechte dat er werd betaald aan gedaagden”, dus ook aan [Holding] en [verweerster 3] ), en dat [A] daardoor niet op tijd kon betalen, is pertinent onjuist. [60] Vervolgens heeft [verweerders] toegelicht:
Bezien wij verder nog “het gemotiveerde betoog van de Curator” waarvan de klacht rept, [63] dan blijkt daaruit kort gezegd het volgende. Daarbij gaat het:
derde klachtin het onderdeel.
De klacht strandt in het voetspoor van de eerste en tweede klacht. Zie onder 3.23.1-3.23.3 hiervoor. Ik licht dat toe.
De klacht ziet vooreerst eraan voorbij dat [verweerders] dus wel degelijk, en reeds in eerste aanleg, een relevant verweer heeft gevoerd inzake het omleiden van geldstromen “los van de verwijzing naar het rekeningoverzicht in eerste aanleg”.
Wat betreft de vordering van [A] op [verweerster 3] geldt in de eerste plaats dat deze weliswaar niet wordt betwist door [verweerders] , maar, anders dan de klacht suggereert, door [verweerders] niet in verband is gebracht met de kwestie van het omleiden van geldstromen (ook niet via een ‘onttrekking’ aan [A] ). [68] Verder geldt ook hier wat ik uiteenzette onder 3.23.3 sub a hiervoor.
Wat betreft “de gestelde onttrekkingen via de rekening van [Holding] ” geldt in de eerste plaats dat [verweerders] in de door de klacht genoemde vindplaats [69] vooropstelt dat zij de stellingname van de curator [70] niet begrijpt, nu de curator eind 2019 alle bankafschriften ontving: zowel die van [Holding] als die van [verweerster 3] . M.i. valt dit best te plaatsen in het licht van die stellingname van de curator en vormt dit geen ‘non-betwisting’ van de blote stelling van de curator dat geld ook werd omgeleid via [Holding] . Daarbij geldt verder dat [verweerders] reeds in eerste aanleg had uiteengezet dat de curator ten onrechte stelt dat er werd betaald niet alleen aan [verweerder 1] , maar ook aan [Holding] en [verweerster 3] : de privérekening van [verweerder 1] werd feitelijk gebruikt als tweede bankrekening van [A] . Zie onder 3.23.3 hiervoor.
Wat betreft “de gestelde onttrekkingen via de privérekening van [verweerder 1] ” wijst de klacht wederom alleen naar vindplaatsen in de memorie van antwoord zijdens [verweerders] , [71] en wordt in de klacht het verweer van [verweerders] ter zake in eerste aanleg wederom vernauwd tot “de stellingen met betrekking tot het overgelegde rekeningoverzicht”. Dit ten onrechte, gezien dat daadwerkelijk door [verweerders] gevoerde verweer ter zake in eerste aanleg. Zie onder 3.23.3 hiervoor. Naar daaruit blijkt, mist eveneens grond de door de klacht gewekte suggestie dat [verweerders] slechts bloot heeft gesteld dat er van [verweerder 1] privérekening meer ten behoeve van [A] werd betaald dan er voor [A] werd ontvangen. In genoemd verweer koppelde [verweerders] deze stelling immers nadrukkelijk aan het in eerste aanleg (samen met het rekeningoverzicht) overgelegde overzicht van de accountant. Zie onder 3.23.3 hiervoor.
Daarmee valt de bodem weg onder de klachten dat ’s hofs oordeel in rov. 3.8, achtste zin onbegrijpelijk is, dat onduidelijk is waarop het hof dat oordeel baseert, en dat het partijdebat geen andere conclusie toelaat dan dat onvoldoende gemotiveerd is betwist door [verweerders] de stelling van de curator dat via de bankrekeningen van [verweerster 3] , [Holding] en [verweerder 1] aanzienlijke bedragen aan [A] zijn onttrokken. Die vlieger gaat niet op.
business planom tot een
turn aroundte komen, zonder ook een afrekening met [verweerster 3] of een heldere taakverdeling met [verweerster 3] . [73] (ii) Dat er niet voor enige liquiditeit - laat staan adequate liquiditeit - van buiten is gezorgd om de verlieslatende onderneming de tijd te geven om tot een
turn aroundte komen. Vanaf dag één was er te weinig liquiditeit om alle bestaande crediteuren te betalen. [74] (iii) Dat de financiële afwikkeling tussen [verweerster 3] en [A] B.V. bij overdracht van de onderneming verder ook niet is geregeld. Er is niet geregeld wat men overnam, wie wat zou betalen en hoe onderling moest worden afgerekend. Er is feitelijk niet meer gedaan dan dat de werknemers van [verweerster 3] door [A] B.V. zijn betaald en de opdrachtgevers vanuit [A] B.V. werden gefactureerd terwijl leveranciers ineens aan [A] B.V. moesten factureren. [A] B.V. had geen eigen bankrekening en is blijven werken met een rekening waarop [verweerster 3] reeds voor ca. € 70.000 - het maximale RC krediet - rood stond. Dat alles is geen zakelijke wijze van een onderneming overnemen. [75] ”