ECLI:NL:PHR:2021:815

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
10 september 2021
Zaaknummer
19/04445
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet. Er bestaat samenhang met vijf andere zaken met medeverdachten.

De verdachte heeft het cassatieberoep ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na aanzegging schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. De termijn liep af op 10 november 2020, zonder dat middelen zijn ingediend.

Daarom concludeert de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Er is geen inhoudelijke beoordeling van de zaak geweest vanwege deze procedurele tekortkoming.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04445
Zitting15 juni 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 september 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/04267 ( [medeverdachte 1] ), 19/04263 ( [medeverdachte 6] ), 19/04368 ( [medeverdachte 2] ), 19/04296 ( [medeverdachte 4] ) en 19/04339 ( [medeverdachte 5] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.Ontvankelijkheid van het beroep

2.1.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is blijkens de akte van uitreiking op 11 september 2020 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 10 november 2020. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

3.Conclusie

3.1.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG