“Het hof acht bewezen dat de veroordeelde zich van 26 september 2016 tot 1 mei 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne. Dit betreft een periode van 217 dagen.
Volgens de observaties en telefoontaps heeft de veroordeelde gewerkt op: 9, 10, 41, 16, 19, 20 en 25 februari 2017.
Hieruit blijkt dat de veroordeelde in die periode, van in totaal 21 dagen, 7 dagen heeft gewerkt. Doorberekend naar de gehele periode van 217 dagen betekent dit dat hij (7/21 x 217 dagen=) 72,3 dagen heeft gehandeld in cocaïne.
Uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat hij tussen de € 50,00 en € 100,00 per dag verdiende met het verkopen van cocaïne, afhankelijk van zijn eigen gebruik. Ook de directe verrekening in verband met een hoeveelheid zelf gebruikte cocaïne moet naar het oordeel van het hof als voor ontneming vatbaar inkomen worden aangemerkt.
Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat hij tussen de € 50,00 en € 100,00 per dag verdiende met de handel in cocaïne, afhankelijk van de verrichte werkzaamheden. Voor de enkele chauffeurswerkzaamheden werd het minst betaald.
Uit de verklaring van [betrokkene 11] blijkt dat de dealers tussen de € 100,00 en € 150,00 per dag verdienen voor het verkopen van cocaïne.
Uit de getapte gesprekken tussen [medeverdachte 3] en veroordeelde op 15 en 16 maart 2017 volgt dat veroordeelde duizend euro is kwijtgeraakt en dat hij ter compensatie tien dagen gratis moest werken voor [medeverdachte 3] . Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, maakt de omstandigheid dat verdachte tien dagen ‘gratis’ heeft gewerkt niet dat deze periode niet zou meetellen voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er werd op deze dagen immers telkens honderd euro per dag verdiend. Dat die verdienste rechtstreeks werd verrekend met een bestaande schuld maakt dit niet anders.
Het hof acht, gelet op deze verklaringen, aannemelijk dat de dealers €100,00 per dag verdienden door de raadsvrouw is aangevoerd dat veroordeelde vaak niet hele dagen werkte, dat hij als loopjongen werd ingezet en dat daarom moet worden uitgegaan van een loon van €50,00 per dag. Dat veroordeelde vaak niet hele dagen werkte en daarom niet het gehele bedrag van €100,00 betaald kreeg, blijkt niet uit het dossier en is door de raadsvrouw ook niet nader onderbouwd. Datzelfde geldt voor de stelling dat veroordeelde minder dan anderen betaald kreeg, omdat hij louter als loopjongen werd ingezet. Het hof gaat er derhalve ook bij veroordeelde vanuit dat hij €100,00 per dag verdiende.
Het wederrechtelijk door de veroordeelde verkregen voordeel betreft in dit geval het gewerkte aantal dagen maal de dagopbrengst, te weten 72,3 x € 100,00 = € 7.230,00.”