ECLI:NL:PHR:2021:602

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
14 juni 2021
Zaaknummer
19/05687
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen schriftuur in drugshandelzaak

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en acht maanden wegens deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van verboden handelen volgens de Opiumwet.

Het cassatieberoep van de verdachte is niet ontvankelijk verklaard omdat hij niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie heeft ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, Sv.

De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend aan de verdachte en zijn raadsman, maar het ontbreken van een schriftuur leidt tot niet-ontvankelijkheid. De zaak hangt samen met meerdere andere zaken tegen medeverdachten, waar ook conclusies zijn genomen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van schriftelijke middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05687
Zitting6 april 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 5 december 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, onder 2 subsidiair “medeplichtigheid aan/tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 3 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 6 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en acht maanden.
2. De zaak hangt samen met de zaken tegen medeverdachten, met zaaknummers 19/05611 ([medeverdachte 1]), 19/05598 ([medeverdachte 2]), 19/05600 P ([medeverdachte 2]), 19/05498 ([medeverdachte 3]), 19/05617 ([medeverdachte 4]), 19/05738 ([medeverdachte 5]), 19/05777 ([medeverdachte 6]), 19/05732 ([medeverdachte 7]), 19/05967 ([medeverdachte 8]), 19/05773 ([medeverdachte 9]) en 19/05685 ([medeverdachte 10]). [1] In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 16 juni 2020 in persoon uitgereikt aan de verdachte op het adres [a-straat 1] te [plaats]. [2] Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 36e, eerste lid, onder b, Sv rechtsgeldig betekend. Daarnaast is op 19 juni 2020 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (J. van Rooijen, advocaat te Tilburg).
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.In de eveneens met deze zaak samenhangende zaken 19/05606 ([betrokkene 1]), 19/05662 ([betrokkene 2]) en 19/05525 ([betrokkene 3]) is het cassatieberoep ingetrokken.
2.Uit een bevraging BRP van de verdachte blijkt dat de verdachte destijds op dat adres stond ingeschreven.