Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, houdt in dat het hof ten onrechte niet dan wel onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de omvang van het bedrag waarop het voordeel wordt geschat.
de veroordeelde een veelheid aan werkzaamheden heeft uitgevoerd, die niets met strafbare feiten van doen heeft gehad. Bovendien is het zeer aannemelijk dat de veroordeelde niet door had dat niet alle zaken van [betrokkene 1] (opmerking hof: de werkgever van de veroordeelde
) legitiem waren. Pas in het tweede kwartaal van 2013 groeide het besef bij de veroordeelde, volgens de raadsman, dat niet alle werkzaamheden legaal waren. De raadsman heeft ter ondersteuning van zijn betoog een verklaring overgelegd van de toenmalige vriendin van de veroordeelde, die ook voor [betrokkene 1] werkte.”
De veroordeelde is onherroepelijk veroordeeld voor gewoontewitwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2012 tot 20 november 2013. De pleegperiode en de wetenschap van de veroordeelde staan niet ter beoordeling van het hof. De rechtbank heeft daar onherroepelijk over beslist. De veroordeelde heeft ook werkzaamheden verricht die in een legitieme organisatie in het algemeen niet strafbaar zijn, zoals facturen en overeenkomsten opmaken. De veroordeelde werkte echter voor een criminele organisatie, die - zo heeft ook [betrokkene 1] verklaard - sinds 2010 in het geheel geen legale activiteiten uitvoerde. Het verdienmodel van de organisatie was vrijwel uitsluitend het plegen van strafbare feiten. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de aan de veroordeelde betaalde salarissen, zoals vastgesteld door de rechtbank, wederrechtelijk zijn verkregen.”
wederrechtelijkverkregen voordeel.
kanhebben bijgedragen aan het verwezenlijken van het criminele oogmerk van de organisatie, dat de betrokkene mede voor specifiek die werkzaamheid is betaald, en zo ja (ongeveer) hoeveel. In dat verband zij herhaald dat het niet noodzakelijk is dat de deelnemer aan een criminele organisatie zelf een strafbaar feit pleegt. Het timmeren van een hondenhok is bijvoorbeeld op zichzelf geen strafbaar feit. Het is echter allerminst uitgesloten dat deze werkzaamheid heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van een organisatie. Daarbij valt te denken aan de mogelijkheid dat de aanwezigheid van de hond waarvoor het hok is bestemd dient ter afschrikking van of waarschuwing voor – al dan niet professionele – pottenkijkers in het pand waarin de organisatie haar activiteiten onderneemt. Andere – op zichzelf niet-strafbare – werkzaamheden van de betrokkene kunnen hebben bijgedragen aan het versluieren van het criminele oogmerk van de organisatie.
tweede middelklaagt eveneens over ’s hofs verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het is mij daarbij niet duidelijk op welk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de steller op het oog heeft, nu de daarop volgende alinea – de toelichting op het middel – klaagt over het verzuim de gewraakte passage uit de verklaring van [betrokkene 1] – in strijd met artikel 301 Sv Pro – “
expliciet” voor te houden ter terechtzitting, als gevolg waarvan dit onderwerp volgens de steller van het middel geen onderdeel is geweest van het onderzoek ter terechtzitting.
inhoudvan de gewraakte mededeling van [betrokkene 1] ter terechtzitting wel degelijk aan de orde heeft gesteld, alleen is daarbij niet letterlijk verwezen naar de naam van [betrokkene 1]. Ik illustreer mijn punt met een citaat uit het proces-verbaal van de terechtzitting (p. 2): “
De voorzitter wijst de veroordeelde erop dat zijn werk voor een groot deel te maken had met strafbare feiten (…).”
derde middelklaagt dat het hof niet (afdoende) heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het ontnemingsbedrag op grond van artikel 36e lid 5 Sr gematigd had moeten worden, zulks vanwege de geringe (toekomstige) draagkracht van de betrokkene en overige persoonlijke omstandigheden.
(…). De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.” [12]
Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde geen aanleiding de betalingsverplichting te matigen. Dat de veroordeelde op dit moment geen werk heeft en inmiddels een leeftijd heeft die hem wellicht lastiger toegang geeft tot de arbeidsmarkt, betekent niet op voorhand dat er in de toekomst onvoldoende verdiencapaciteit is om zijn verplichting aan de Staat te voldoen.”
niet op voorhand [betekent] dat er in de toekomst onvoldoende verdiencapaciteit is om zijn verplichting aan de Staat te voldoen” toereikend heeft gemotiveerd.
aanstonds duidelijk” is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Die passage roept dan weer wel de vraag op (i) wat onder ‘aanstonds duidelijk’ moet worden verstaan en (ii) of er een significant verschil is in de betekenis van enerzijds ‘aanstonds duidelijk’ en anderzijds de door het hof gebezigde woorden ‘op voorhand betekent’ (dat er in de toekomst onvoldoende draagkracht, respectievelijk onvoldoende verdiencapaciteit is om aan de betalingsverplichting te voldoen).