ECLI:NL:PHR:2021:274

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
19 maart 2021
Zaaknummer
19/02284
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-indienen middelen van cassatie

De verdachte, geboren in 1968, werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een verstekvonnis van de rechtbank Gelderland. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, maar er is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Hierdoor kan de Hoge Raad de verdachte niet in zijn cassatieberoep ontvangen op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren. Er is sprake van samenhang met een andere zaak (19/02283), waarin eveneens een conclusie wordt genomen. De procedure toont het belang van het tijdig indienen van de middelen van cassatie om ontvankelijk te zijn in het cassatieberoep.

De zaak betreft een formele toetsing van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en bevat geen inhoudelijke beoordeling van de strafzaak zelf. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van de procesregels in cassatieprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02284
Zitting2 februari 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 10 april 2018 op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 21 oktober 2016.
Er bestaat samenhang met de zaak 19/02283. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG