Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte “opzettelijk
”een bij belastingwet voorziene aangifte onjuist heeft gedaan.
- D-0211 (een aandeelhoudersovereenkomst van april 2007 betreffende de hiervoor bedoelde aandelenoverdracht waarin verdachte partij is);
- D-0205 (een letter of intent over de voorgenomen aandelenoverdracht);
- D-0206 (een verklaring bij de letter of intent waarin verdachte en zijn broer toestemming geven aan [betrokkene 2] als bestuurder om de letter of intent namens SPF [A] te ondertekenen);
- D-0220 (een overeenkomst van 7 juli 2010 tussen [betrokkene 1] enerzijds en verdachte en zijn broer anderzijds over het bestuur van SPF [A], inhoudende dat verdachte en zijn broer onvoorwaardelijk en geheel gerechtigd zijn tot alle revenuen van ondernemingen waarin SPF [A] een belang uitoefent);
- D-0221 (een e-mailbericht van 13 april 2008 over het accorderen van facturen aan [B] en [C] door verdachte);
- D-0222 (een e-mailbericht van 28 juni 2007 waarin gerefereerd wordt aan een afspraak met verdachte en zijn broer over betaling van een deel van de koopsom van de aandelentransactie op rekening van [G] BV);
- D-0223 (een samenwerkingsovereenkomst ter zake projectmanagement van 9 januari 2007, waarbij verdachte als vertegenwoordiger van [C] optreedt);
- D-0224 en D-0225 (e-mailberichten van verdachte over het laten opmaken van een overeenkomst en het tekenen als achterligger van SPF [A]);
- D-0226 (gespreksverslag van 5 maart 2007 betreffende een bespreking op 27 februari 2007 over de voorgenomen aandelentransactie); en
- D-0051 (een pandakte inhoudende dat verdachte aan ABN AMRO in pand geeft de winsten uit vastgoedprojecten waartoe hij gerechtigd is door middel van SPF [A]).
- Het hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop verwijst het hof nog naar de managementovereenkomst van 25 augustus 2004 (vindplaats: USB-stick overgelegd door verdachte, nummer 67) waaruit blijkt dat de bestuurder zich te allen tijde zal richten naar de wensen van de “achterliggers” en dat – bijvoorbeeld – betalingen slechts mogelijk zijn na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de “achterliggers”.
in fiscalibusaan de kenniscomponent van het voorwaardelijk opzet meestal snel voldaan. [4] De belastingplichtige moet die aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard. Daarvoor dient – naast de eventuele verklaring van de verdachte en getuigen hieromtrent – te worden gekeken naar de feitelijke omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [5] Gelet hierop is in het fiscaal strafrecht een goede, voldoende geïndividualiseerde bewijsmotivering belangrijk voor de toepassing van voorwaardelijk opzet, waarbij de specifieke omstandigheden van het geval veelal relevant zijn voor het bewijs daarvan. [6]
verdachte opzet heeft gehad op het verbergen van zijn betrokkenheid bij SPF [A] en het niet verantwoorden van de behaalde winst uit aanmerkelijk belang in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007”niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij acht ik met name van belang dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de verdachte wist én kon bepalen wat er zich binnen de SPF afspeelde en dus ook wist wat hij had moeten doen, maar zich in die wetenschap opzettelijk anders heeft gedragen door dat na te laten. [7] Het hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte zijn boekhouder niet op de hoogte heeft gesteld van zijn betrokkenheid bij de SPF en de door die SPF behaalde winst en die boekhouder kon daarmee – in weerwil van hetgeen door de steller van het middel wordt betoogd – dus ook geen rekening houden bij de in verdachtes opdracht opgemaakte aangifte inkomstenbelasting 2007. Mede in aanmerking genomen dat voor het bewijs van voorwaardelijk opzet in dat soort gevallen – waarbij men bij een belastingaangifte gebruikt maakt van de diensten van derden, zoals een boekhouder – van belang is of afdoende invulling is gegeven aan de zorgplicht om ten aanzien van die belastingaangifte aan de boekhouder de juiste gegevens te verstrekken, [8] heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een onjuiste aangifte inkomstenbelasting 2007 werd gedaan.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat het door de verdachte gepleegde feit ‘ertoe heeft gestrekt dat er te weinig belasting is geheven’, aangezien uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte inkomsten heeft genoten uit zijn betrokkenheid bij SPF [A].