Conclusie
BE Vastgoed,
CDI,
1.Feiten
[A]). De vorige eigenaren van het pand hebben van 1958 tot 1994 daarin een schoenenwinkel gedreven. Zij hebben van 1958 tot medio 1967 boven de winkel gewoond. Deze woonruimte is nadien tot september 2015 niet bewoond geweest.
de steeg). Het pand kan verder alleen aan de voorkant worden verlaten, via de winkelruimte aan de [a-straat] .
CDI c.s.), sinds 1998 eigenaar van het perceel [a-straat 2] . Op de begane grond is een boekwinkel. Op de bovenverdiepingen bevinden zich sinds 1999 twee appartementen ( [b-straat 1] / [b-straat 2] ). De bewoners bereiken hun appartement via de steeg.
2.Procesverloop
- het recht van overpad voor de eigenaar en gebruikers van [a-straat 1] ;
- het recht om maximaal twee containers tegen de achtergevel van [a-straat 1] aanwezig te hebben;
- het recht om aan de achtergevel van [a-straat 1] een afdak met maximale afmetingen 2 meter breed en 1 meter diep aanwezig te hebben en
- het recht om onder het afdak (brom)fietsen of andere zaken aanwezig te hebben, althans een zodanig recht van erfdienstbaarheid als de rechtbank in goede justitie bepaalt;
3.Bespreking van het cassatiemiddel
lid 1BW en dat het hof, door zijn oordeel te plaatsen in de sleutel van art. 3:314
lid 2BW, ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hier toepasselijke rechtsregel van art. 3:314 lid 1 BW Pro. BE Vastgoed betoogt dat aan de vereisten van art. 3:314 lid 1 BW Pro is voldaan, nu sprake is van een onrechtmatige toestand, deze onrechtmatigheid niet wordt weggenomen door het feit dat CDI c.s. het gebruik van de steeg gedoogde, en de verjaringstermijn niet opnieuw aanvangt bij eigendomsverkrijging onder bijzondere titel (zodat ook de periode vóór 2008 meetelt).
op de dag nadat een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (art. 3:114 lid 2 BW Pro)”. In nrs. 23 en 24 wordt benadrukt dat verkrijgende verjaring bezit vereist en dat BE Vastgoed in dit geval dat bezit ook had. In nr. 25 wordt erop gewezen dat degene “
die bezitter is van een goed op het moment dat de termijn van art. 3:306 BW Pro naast art. 3:314 BE Pro verstrijkt, (…) dit goed van rechtswege verkrijgt.” Het betoog staat, tot zover, duidelijk in de sleutel van bezit, dat na voltooiing van de verjaringstermijn zou leiden tot een recht van erfdienstbaarheid.
kanzijn. Er staat niet dat een vordering van CDI c.s. verjaard is. Voorts wordt in het ingesprongen tekstgedeelte gezegd wat BE Vastgoed “
kan stellen”, maar BE Vastgoed
stelthier niet iets. Het betoog is daarom hypothetisch. Lezing van deze passage laat dan ook niet de conclusie toe dat BE Vastgoed daarin een aanvullende en zelfstandige rechtsgrondslag voor haar subsidiaire vordering heeft aangevoerd. Dit klemt temeer nu in de overige processtukken zijdens BE Vastgoed, waaronder haar memorie van antwoord in incidenteel appel van 5 september 2017, over art. 3:114 lid 1 BW Pro met geen woord wordt gerept.
onrechtmatigetoestand het hier precies zou gaan, wat echter wel vereist is om de door BE Vastgoed beoogde rechtsgevolgen te doen intreden. Waar zit de onrechtmatigheid nu precies in? BE Vastgoed wil zich klaarblijkelijk beroepen op onrechtmatigheid van eigen handelen (en dat van haar rechtsvoorgangers) om in cassatie te kunnen betogen dat het veranderen van het slot aan de deur van de poort een rechtsvordering (van CDI c.s.) tot opheffing van een onrechtmatige toestand vormt die echter, in 2015, al was verjaard. Daargelaten of we hier mogelijk te doen hebben met een feitelijk novum in cassatie, [21] is dit betoog onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat CDI c.s. in feitelijke aanleg herhaaldelijk hebben gesteld, zonder op dat punt door BE Vastgoed te zijn tegengesproken, dat zij het gebruik van de haar in eigendom toebehorende steeg door het personeel van de schoenenwinkel op grond van goed nabuurschap had gedoogd, voor zover dat gebruik beperkt bleef tot het dienen als nooduitgang, het plaatsen van enkele (brom)fietsen en het plaatsen van een of twee rolcontainers.
toestandin art. 3:314 lid 1 BW Pro. Het middel neemt tot uitgangspunt dat zich in dit geval een continue inbreuk voordoet omdat er ‘vrijwel dagelijks’ gebruik werd gemaakt van de litigieuze steeg. Dit standpunt kan echter reeds om de redenen hiervoor genoemd voor het oud BW (vgl. onder 3.7) en voor het huidige BW (vgl. onder 3.16 en 3.17) niet worden gevolgd: voor het aannemen van een ‘toestand’ is continu en dus voortdurend gebruik vereist; repeterende incidentele handelingen volstaan niet. [22] Deze uitleg vindt duidelijke steun in de vakliteratuur.