Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard, althans heeft nagelaten te (doen) onderzoeken of de verdachte verbleef in een opvangcentrum als bedoeld in art. 21, eerste lid, sub f, van het Besluit basisregistratie personen. Uit de stukken van het geding zou het ernstige vermoeden voortvloeien dat de verdachte behoort tot de categorie van personen als bedoeld in art. 2.6 Wet basisregistratie personen jo. art. 21, eerste lid, sub f, Besluit basisregistratie personen.
NJ2002/317 m.nt. Schalken heeft Uw Raad onder meer overwogen (met weglating van een voetnoot):
- niet is ingeschreven in een GBA, waaronder mede is begrepen het geval dat hij is ingeschreven op een zogeheten punt-adres,
- niet is gedetineerd in Nederland,
- niet een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland bekend is, waaronder mede begrepen is het geval dat alleen een postbusnummer bekend is, en voorts
- niet een adres van hem in het buitenland bekend is,
- is de betekening in elk geval geldig indien de dagvaarding is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de zaak zal dienen (art. 588 lid 1 sub b onder Pro 3°). De griffier kan de dagvaarding vervolgens opleggen.
- In het geval dat ten tijde van de uitreiking een postbusnummer van de verdachte bekend is waarheen niet een afschrift van de dagvaarding is verzonden, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen waarna een oproeping voor de nadere terechtzitting naar die postbus dient te worden gezonden. Zie daartoe hierna onder 3.34 sub b.