ECLI:NL:PHR:2020:713
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beslissing kamer voor gerechtsdeurwaarders
Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, die het verzet tegen een afwijzing van een klacht tegen een gerechtsdeurwaarder ongegrond had verklaard. De klacht was eerder door de voorzitter van de Kamer als kennelijk ongegrond afgewezen.
De griffier van de Hoge Raad wees verzoeker op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzet en op het feit dat het cassatieverzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv. Verzoeker handhaafde zijn beroep ondanks deze tekortkomingen en betaalde het griffierecht niet.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing op het verzet. Daarom is het cassatieberoep niet ontvankelijk en wordt het niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsmiddel en het ontbreken van ondertekening door een advocaat.