Conclusie
1.Overzicht
Vooraf
joint venturevan het Schoonmaakbedrijf en het Ziekenhuis.
2.Materiële voorwaarden fiscale eenheid (middel 1)
Doel en aard fiscale eenheid
Commissie/Ierland: [5]
dat zij een eenheid vormen, worden, al dan niet op verzoek van één of meer van deze natuurlijke personen of lichamen, bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur als één ondernemer aangemerkt (…).”
joint venturewordt genoemd, zou niet direct worden verwacht dat zij en het Ziekenhuis samen een eenheid zijn. De aanduiding
joint venturesuggereert een intentie van een gezamenlijke onderneming van het Ziekenhuis en het Schoonmaakbedrijf op voet van gelijkwaardigheid, waarbij de één noch de ander de overhand heeft. [12] In dat geval gaat van geen van beide partners afzonderlijk in de samenwerkingsvennootschap centrale leiding uit. Evenmin kan daardoor worden gezegd dat een dergelijke
joint venture-vennootschap met één van de partners een eenheid vormt in de zin van artikel 7(4) Wet OB.
joint venturelijkt dan wat misplaatst, maar die aanduiding is natuurlijk niet beslissend. Voor belanghebbendes standpunt pleit dat (i) het Ziekenhuis 51% (>50%) van de aandelen met bijbehorende zeggenschap in belanghebbende houdt, (ii) de directeur van belanghebbende tevens in dienstbetrekking bij het Ziekenhuis werkzaam is als Manager Service-eenheid Facilitair bedrijf en (iii) belanghebbende – naar niet in geschil is – (vrijwel) uitsluitend presteert aan het Ziekenhuis. Aan de beheersing van belanghebbende die uit de eerste twee omstandigheden lijkt voort te vloeien, zouden de in onderdeel 1.5 genoemde overeenkomsten echter weer kunnen afdoen. Ook de wijze waarop het Ziekenhuis en het Schoonmaakbedrijf feitelijk handelen bij de aansturing van belanghebbende, is van belang. Uiteindelijk moet daarom volgens mij worden beoordeeld of het Ziekenhuis en het Schoonmaakbedrijf in feite toch niet samen belanghebbende aansturen in hun rol als gelijkwaardige aandeelhouders.
NJ2014/286 te gebruiken. Die annotatie heeft Van Schilfgaarde geschreven bij de
Cancun-beschikking van de civiele kamer van de Hoge Raad. [16] Daarin heeft de Hoge Raad over de betekenis van artikel 2:239(5) BW en artikel 2:8 BW Pro in
joint venture-verhoudingen overwogen (cursivering CE):
joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking.
De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; (…).
casu quodat sprake kan zijn van centrale leiding vanuit het Ziekenhuis). Feitelijke ondergeschiktheid veronderstelt dat het bestuur van een vennootschap aanwijzingen krijgt vanuit één centrale, met de andere onderdelen van de fiscale eenheid gedeelde leiding over met name de te volgen strategie en het te volgen beleid. Het feitelijk onderschikte bestuur moet die aanwijzingen na een betrekkelijk marginale toetsing opvolgen. De omstandigheid dat het toepasselijke vennootschapsrecht eraan in de weg staat om zo ‘de oren te laten hangen’, zou het vermoeden kunnen rechtvaardigen dat feitelijke ondergeschiktheid ontbreekt.
De betekenis van de beschikking fiscale eenheid, mede in de context van het Unierecht (middel 2)
zij beschermt de belastingplichtigen tegen de mogelijkheiddat bij een verschil van mening tussen de inspecteur en hen over het bestaan van een fiscale eenheid en/of het tijdstip waarop deze is ingegaan, een beslechting van dat geschil in de door de inspecteur voorgestane zin, tot gevolg zou hebben
dat zij tegen hun wil als fiscale eenheid worden behandeld voor een periode gelegen vóór het moment waarop de inspecteur zijn standpunt terzake bekend heeft gemaakt.
nietals een fiscale eenheid aan te merken voor het verleden. Naar mijn mening valt deze opvatting echter niet te rijmen met de overweging van de Hoge Raad dat het toekennen van een verderstrekkende betekenis aan de beschikking fiscale eenheid in strijd is met het recht.
kanwekken doordat daarin een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur is opgenomen. Of dat in dit geval zo is, heeft het Hof in het midden gelaten, maar hangt ervan af of het verzoek om een beschikking fiscale eenheid wat de verstrekking van relevante informatie betreft juist en volledig was.