“
Feiten en omstandigheden
Het hof gaat op basis van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het perceel [a-straat 1] te Nuenen, deel uitmakend van het te ontwikkelen uitbreidingsplan [A] , werd op 3 februari 2010 door de gemeente Nuenen aangekocht, teneinde door te verkopen aan [A] Uit een onderzoek naar bodemverontreiniging d.d. 31 augustus 2009 door het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE) bleek dat er in het perceel, een voormalig stortplaats, een stortlichaam in de bodem was. De samenstelling wees op bouw- en sloopafval en huishoudelijk afval. In het rapport was een disclaimer opgenomen dat nooit uit te sluiten is dat een hoeveelheid gevaarlijk afval, zoals chemisch afval en/of asbest, in het stortlichaam aanwezig is.
In opdracht van de gemeente Nuenen werd op 9 november 2009 door de SRE op deze stortlocatie een proefsleuvenonderzoek verricht. Hiertoe werden twee elkaar kruisende sleuven tot aan de onderzijde van de stort uitgegraven. In twee monsters van die proefsleuvenonderzoek werd asbest aangetoond, te weten:
- in een monster werd niet-hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet aangetoond;
- in een ander monster werd niet-hechtgebonden chrysotiel aangetoond.
In het rapport van de SRE is opgenomen dat ofschoon er proefsleuven zijn gegraven, niet is uit te sluiten dat er nog een hoeveelheid niet ontdekt, mogelijk gevaarlijk afval, zoals chemisch afval in het stortlichaam aanwezig is. Aanbevolen werd het stortlichaam onder milieukundige begeleiding te verwijderen om ervoor te zorgen dat de af te voeren hoeveelheden verontreinigde grond zo gering mogelijk blijft. Tevens vermeldt het rapport dat, waar asbest bij de ontgravingswerkzaamheden aanwezig is, onder asbestcondities dient te worden gewerkt. Zichtbaar asbest kan middels ‘handpicking’ worden verwijderd en de aanwezige grond rond het asbest dient op de aanwezigheid en de concentratie van asbest te worden onderzocht.
Naar aanleiding van een door [verdachte] uitgebrachte offerte heeft het bedrijf de opdracht gekregen de stort te ontgraven en te ruimen, waarbij de twee genoemde verkennende onderzoeken als basis dienden. Door verdachte werd op 13 september 2010 een plan van aanpak in een VGM-plan (Veiligheid, Gezondheid en Milieu-plan) geschreven, ten behoeve de stortlocatie [a-straat 1] te Nuenen. De startdatum van de werkzaamheden was week 38, 2010 (20 t/m 26 september 2010). In voornoemd plan is onder meer omschreven dat op het terrein een viertal depots zouden worden ingericht om de uitkomende stromen goed te kunnen scheiden op het terrein, te weten:
Depot 1: Bovenlaag
Depot 2: Stortmateriaal
Depot 3: Stortmateriaal met asbestverdachte grond
Depot 4: Twijfel grond.
Op 29 september 2010 werd door een toezichthouder van het SRE, [betrokkene 1] , geconstateerd dat door een machinist was begonnen met het ontgraven van de bovengrond van de stortlocatie. Op 2 november 2010 werd door [betrokkene 1] geconstateerd dat asbestverdacht materiaal op de locatie was aangetroffen en dit materiaal niet conform het plan van aanpak in het VGM-plan werd verwijderd. Zo vond het verwijderen van het stortlichaam niet plaats onder toezicht van een milieukundig begeleider (MKB-er) of Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA-er) en niet onder asbestcondities.
Hierop zijn de werkzaamheden tijdelijk stilgelegd. Op 8 november 2010 zijn de werkzaamheden weer tijdelijk stilgelegd omdat niet conform het onderliggende plan werd gewerkt. Medio november 2010 was het gehele stortlichaam ontgraven. Na het ontgraven zijn door verdachte nog verschillende handelingen verricht met het vrijgekomen materiaal.
Het ontgraven van het asbesthoudende deel is uitgevoerd eind week 45/begin week 46. Het vrijkomende asbest (verontreinigde) puin is in depot 4 geplaatst. Van februari 2011 tot eind maart 2011 is de grond uit de depots gezeefd (door middel van een (open) trommelzeef) en tot halverwege april 2011 werd puin uit de depots gezeefd en gebroken. De gezeefde grond en het gezeefde puin werden weer in depots geplaatst.
In opdracht van de gemeente Nuenen zijn door Tritium Advies B.V. de op locatie aanwezige depots geïnventariseerd en is onderzoek ingesteld naar de milieuhygiënische kwaliteit. In de depots B t/m E en de depots G t/m I werd een homogene verontreiniging met asbest (resp. blauw (chrysotiel) asbest (> 137 mg/kg) en bruin (amosiet) asbest (ca. 1.000 mg/kg)) aangetroffen, waardoor deze depots van grond/puin niet-toepasbaar waren. In zijn totaliteit bleek 12.775 m3 verontreinigd.
Standpunten verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe is - zoals verwoord in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen - het volgende aangevoerd:
a) In het dossier is geen redengevend bewijs te vinden voor de stelling dat in de gegeven situatie personen tijdens de aan verdachte verweten gedragingen in de ten laste gelegde periode zijn blootgesteld aan asbest in onaanvaardbaar hoge concentraties (boven de grenswaarden) en aldus in gevaar zijn geweest of konden zijn geweest;
b) Voorts kan niet bewezen worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het brengen van asbestmateriaal in de bodem en/of in de lucht, nu de verdachte hiervan ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen geen wetenschap had. Ook van voorwaardelijk opzet is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat asbesthoudend materiaal in de bodem en/of de lucht werd gebracht en dat de verdachte deze kans heeft aanvaard, aldus de verdediging.
Beoordeling hof
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Ad a) Gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar
Door de verdediging is in dit kader aangevoerd dat de grenswaarde van de concentratie asbestvezels in Nederland is bepaald op 10.000 vezels/m3. Zowel op basis van het NFI-rapport als uit de resultaten van de luchtmonsters (o.b.v. TNO-rapport 2004) kan niet worden afgeleid dat de vezelemissie tijdens de bewuste werkzaamheden van verdachte boven de grenswaarden kwam en dat daar om die reden gevaar van te duchten was. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de concentratie vrijgekomen asbestvezels op enig moment de geldende normen heeft overschreden, zodat het ten laste gelegde ‘te duchten gevaar’ niet bewezen kan worden.
Het hof staat derhalve voor de vraag of door de genoemde werkzaamheden van verdachte, zoals ten laste gelegd, gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten is geweest. Het hof stelt vast dat het verweer van de verdediging impliciet uitgaat van de gedachte dat het onderhavige delict slechts bewijsbaar is indien uit technisch onderzoek blijkt dat de geldende normen ter zake overschreden zijn. Deze gedachte is op basis van de bewoordingen en de strekking van artikel 173a en 173b Wetboek van Strafrecht onjuist. Naar het oordeel van het hof kan te duchten gevaar bewezen worden verklaard, ook al zouden de asbestvezelconcentraties continue onder de grenswaarde zijn geweest.
Het hof stelt in dit verband voorop dat blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk is vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Inademing hiervan is ook in geringe hoeveelheid onomkeerbaar en vormt daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. Het gevaar van inademing van niet-hechtgebonden asbestvezels, waarvan in casu sprake is, schuilt in de cumulatie van die vezels in de longen.
Voorkomen moet worden dat personen juist vanwege het risico van cumulatie onnodig dergelijke vezels inademen, nu samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de overheid, gelet op het zeer schadelijke karakter van asbest, een wettelijk kader heeft bepaald met voorgeschreven veiligheidsmaatregelen indien handelingen worden verricht met asbest(houdend) materiaal. Deze asbestbeschermende maatregelen zijn vanuit preventief oogpunt in het leven geroepen om potentieel gevaar voor de gezondheid van de mens te voorkomen.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld of in de onderhavige zaak personen in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen. Wel acht het hof op basis van het dossier bewezen dat gedurende de bewezen verklaarde periode op de locatie aan de [a-straat 1] te Nuenen werknemers van verdachte en/of andere personen in zodanige mate hebben blootgestaan aan asbestvezels dat hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is geweest. Het hof overweegt daartoe dat verdachte, zijnde een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, op ondeskundige wijze gedurende een lange periode werkzaamheden heeft verricht met asbest(houdend) materiaal en asbesthoudende grond/puin waardoor onnodig asbestvezels in de lucht zijn gebracht. Dit terwijl in het VGM-plan was vastgesteld dat de asbest moest worden verwerkt/verwijderd onder strikte condities. Het hof is dan ook van oordeel dat het binnenkrijgen van hoeveelheden niet-hechtgebonden asbestvezels doordat dergelijke vezels door luchtcirculatie verplaatst worden per definitie als ‘te duchten gevaar voor de openbare gezondheid’ in de zin van artikel 173a en 173b Sr aangemerkt dienen te worden.
Het verweer van de verdediging worden in zoverre verworpen.
Ad b) Opzet/schuld
Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd overtreding van artikel 173a Sr, te weten: het opzettelijk en wederrechtelijk een stof - in casu: asbestvezels - op of in de bodem en/of in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was.
Door de verdediging is, zoals hiervoor vermeld, aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat aan de zijde van verdachte sprake is geweest van opzet in de zin van artikel 173a Sr, ook niet in de voorwaardelijke variant, zodat vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te volgen.
Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte dit feit opzettelijk heeft begaan, nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte willens en wetens asbestvezels in de lucht heeft gebracht.
Het hof is voorts - anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging - van oordeel dat evenmin sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval het op/in de bodem en/of in de lucht brengen van asbest(vezels) - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
In dat verband acht het hof het volgende van belang.
Vaststaand feit is dat verdachte op basis van het proefsleuvenonderzoek van de SRE bekend was met de aanwezigheid van asbest in het te ontgraven stortlichaam. De verdachte is daarbij uitgegaan van de samenvatting van de analyseresultaten in het SRE-rapport dat het zou gaan om hechtgebonden asbest. Mede op basis hiervan is door verdachte een VGM-plan opgesteld met daarin het plan van aanpak. Voorts is de betreffende asbestspot door verdachte ontgraven en apart in depot geplaatst. Door kraanmachinist [betrokkene 2] , die lange tijd werkzaam is geweest op de locatie, is in dit verband verklaard dat het asbestmateriaal uit het stortlichaam op een aparte plaats is opgeslagen. De asbestplekken waren afgezet met piketpaaltjes en [betrokkene 2] hield zelf in de gaten dat hij de niet met asbest verontreinigde grond ruim om de asbestplekken afgroef. Door [betrokkene 2] is tevens verklaard dat hij al zijn afgraafwerkzaamheden heeft uitgevoerd in een overdrukcabine. Ten aanzien van het zeven heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij de trommelzeef helemaal leeg liet draaien om er zeker van te zijn dat er geen materiaal achterbleef. Het materiaal dat door de zeef was gegaan, werd weer in depot opgeslagen. Bij asbestverdacht materiaal stonden er mensen bij in beschermende kleding om de asbest te verwijderen. Het asbest werd in zakken afgevoerd. Door [betrokkene 2] is asbest en asbestverdacht materiaal geselecteerd en in het asbestdepot opgeslagen.
Naar het oordeel van het hof is verdachte als gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden nalatig geweest, in die zin dat niet dan wel onvoldoende nauwkeurig is gekeken naar de analyses in het SRE rapport waaruit bleek dat zich in het stortlichaam niet-hechtgebonden asbest bevond, niet- of onvoldoende gekwalificeerde werknemers heeft ingezet bij de uitvoering van het werk en de selectie en verwijdering van asbest en voorts in strijd met het VGM-plan niet altijd onder begeleiding van een MKB-er of DLP-er werd gewerkt.
Het hof heeft uit het onderzoek echter niet de overtuiging gekregen dat verdachte voorwaardelijk opzettelijk heeft gehandeld. Verdachte ging ervan uit dat sprake was van hechtgebonden asbest en heeft daar in beginsel de werkzaamheden op afgestemd. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat door de uitvoerders van de werkzaamheden (met hun beperkte kennis) niet naar geweten is gehandeld.
Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof dan ook mee dat het hof niet bewezen acht dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat zij als gevolg van haar werkzaamheden asbest(vezels) in de lucht bracht en dat zij die kans op de koop toe heeft genomen.
Wel is het hof van oordeel dat het, gelet op de feiten en omstandigheden, aan verdachtes schuld te wijten is, in de zin van art. 173b Sr, dat in de bewezen verklaarde periode wederrechtelijk asbestvezels in de lucht zijn gebracht.
Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde en veroordelen ter zake het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.”