ECLI:NL:PHR:2020:297

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2020
Publicatiedatum
27 maart 2020
Zaaknummer
20/00655
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet BopzArt. 8a Wet BopzArt. 15-17 Wet BopzArt. 18 lid 1 Wet BopzArt. 15:1 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf wegens onjuiste locatieaanduiding psychiatrisch ziekenhuis

Betrokkene was op grond van een machtiging voortgezet verblijf opgenomen in een inrichting van GGzE De Woenselse Poort te Eindhoven. De officier van justitie verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf, waarbij werd aangenomen dat betrokkene verbleef op een locatie aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven. Later bleek dat betrokkene feitelijk verbleef op een andere locatie, een woning aan de [a-straat 1] te [plaats], die niet als psychiatrisch ziekenhuis was aangemerkt volgens de Wet Bopz.

De rechtbank verleende de machtiging tot voortgezet verblijf, maar de advocaat van betrokkene voerde aan dat de locatie niet als psychiatrisch ziekenhuis kon worden aangemerkt. De rechtbank verwierp dit verweer, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist was omdat de locatie niet voorkwam op de lijst van aangewezen psychiatrische ziekenhuizen.

Daarnaast klaagde betrokkene dat de rechtbank de officier van justitie niet in de gelegenheid had gesteld een voorwaardelijke machtiging te verzoeken, maar de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank daartoe bevoegd was maar niet verplicht. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf en wijst de zaak terug wegens verblijf op een niet als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte locatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00655
Zitting20 maart 2020
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
De Officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Brabant,
hierna: de officier van justitie
niet verschenen
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de locatie waar betrokkene verblijft niet is aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz. Daarnaast betoogt het middel dat de rechtbank de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz in de gelegenheid had moeten stellen een voorwaardelijke machtiging te verzoeken.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Betrokkene is op grond van een machtiging voortgezet verblijf met een looptijd tot en met 9 november 2019 opgenomen in een inrichting van GGzE “De Woenselse Poort” te Eindhoven.
1.2
Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant ingekomen op 29 oktober 2019, heeft de officier van justitie verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15-17 Wet Bopz). Volgens dit verzoekschrift verbleef betrokkene toen op de locatie van de inrichting aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven. Bij het verzoekschrift was een op 8 oktober 2019 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van [betrokkene 1] , geneesheer-directeur van De Woenselse Poort. Deze heeft betrokkene met het oog hierop laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] . In de geneeskundige verklaring is aangegeven dat betrokkene verblijft in een woning van De Woenselse Poort gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .
1.3
Op 21 november 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; [betrokkene 3] , psychiater; [betrokkene 4] in zijn hoedanigheid van mentor van betrokkene en de vader van betrokkene.
1.4
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis met ingang van 21 november 2019 tot en met 9 mei 2020.
1.5
Namens betrokkene is – tijdig [1] – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 21 november 2019. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
De Wet Bopz is per 1 januari 2020 vervallen. Op grond van het overgangsrecht in art. 15:1 lid 1 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stb. 2018, 37) blijft de Wet Bopz op de behandeling van deze zaak van toepassing.
2.2
Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen.
Onderdeel Ihoudt in dat de rechtbank heeft miskend dat een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene op grond van een rechterlijke machtiging verblijft in een ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1 Wet Pro Bopz. Voor zover de rechtbank ervan is uitgegaan dat betrokkene op 21 november 2019 in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verbleef, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting gezien het verweer van de advocaat van betrokkene omtrent de aanmerking, althans is onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder nader onderzoek tot dit oordeel is gekomen.
2.3
Op grond van art. 18 Wet Pro Bopz kan de rechter op verzoek van de officier van justitie met betrekking tot een persoon die op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een nieuwe machtiging tot voortgezet verblijf verlenen. Art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder h, Wet Bopz bepaalt, voor zover in cassatie van belang, dat voor de toepassing van de Wet Bopz onder een psychiatrisch ziekenhuis moet worden verstaan een door de minister als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte zorginstelling. Op grond van art. 1 lid 1 van Pro de Regeling Aanmerking Psychiatrisch ziekenhuis Bopz van 11 januari 1994 [2] worden als psychiatrisch ziekenhuis in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in Bijlage 1 bij deze regeling.
2.4
De advocaat van betrokkene heeft ter zitting aangegeven dat het adres waar betrokkene verblijft niet kan worden aangemerkt als een Bopz-instelling. Volgens het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie verbleef betrokkene op dat moment in De Woenselse Poort in een locatie aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven. Uit de geneeskundige verklaring en ter zitting [3] is door de advocaat van betrokkene aangegeven dat betrokkene thans verblijft in een locatie aan de [a-straat 1] te [plaats] . Anders dan de GGZE locaties van De Woenselse Poort gelegen aan de Doctor Poletlaan 23a, 25, 36, 64, 66, 72, 80, 84 en 86 te Eindhoven, ontbreekt een aanwijzing dat de locatie aan de [a-straat 1] [4] te [plaats] is aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1, lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz in verbinding met Bijlage 1 van de Regeling Aanmerking Psychiatrisch Ziekenhuis Bopz [5] . De advocaat van betrokkene heeft gewezen op de lijst van Bopz-instellingen van mei 2019. De rechtbank heeft dit verweer verworpen, omdat het niet voldoende zou zijn onderbouwd. De rechtbank heeft vervolgens de machtiging tot voortgezet verblijf toegewezen. De rechtbank is er kennelijk vanuit gegaan dat betrokkene ingevolge een eerdere verblijfsmachtiging verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Dit oordeel van de rechtbank geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De locatie aan de [a-straat 1] te [plaats] is niet vermeld in de lijst van als zodanig aangemerkte psychiatrische ziekenhuizen in de Staatscourant. Dat betekent dat toewijzing van de machtiging tot voortgezet verblijf niet mogelijk was. Bovendien is het oordeel van de rechtbank dat de advocaat van betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat de woning waar betrokkene verblijft geen GGZ-instelling is onbegrijpelijk. Het onderdeel slaagt dan ook.
2.5
Op grond van het voorgaande slaagt ook
onderdeel III. Het oordeel van de rechtbank dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat dit gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, is immers onbegrijpelijk nu betrokkene verblijft op een locatie die niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1 Wet Pro Bopz.
2.6
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Hoewel
onderdeel IIgeen behandeling meer behoeft, merk ik daar kort nog het volgende over op. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie in de gelegenheid heeft gesteld een andersoortig verzoek in te dienen.
2.7
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank bevoegd is, maar niet verplicht om gebruik te maken van de mogelijkheid die art. 8a Wet Bopz biedt om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andersoortig verzoek in te dienen. Hoewel in de onderhavige zaak de advocaat van betrokkene heeft gesteld dat de situatie van betrokkene zich leent voor een voorwaardelijke machtiging, is de psychiater daar niet zo zeker van. De psychiater heeft immers aangegeven dat de psychiater van het FACT-team een voorwaardelijk machtiging zou moeten aanvragen en dat die nog niet bekend is. Ook weet de psychiater niet hoe lang de intakeprocedure bij het FACT gaat duren en of betrokkene op die locatie met een voorwaardelijke machtiging kan blijven. In dat licht bezien is het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk. Deze klacht faalt dan ook.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het verzoekschrift is op 21 februari 2019 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
2.Stcrt. 1994, 12.
3.Zie het proces-verbaal van 21 november 2019 van de rechtbank Oost-Brabant.
4.Dit geldt overigens ook voor de in het verzoekschrift van de officier van justitie aangemerkte verblijfplaats van betrokkene, zijnde het adres Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven.
5.Laatstelijk gepubliceerd in de Staatscourant van 7 mei 2019, nr. 24942, blz 4.