ECLI:NL:PHR:2020:1268

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
19/02503
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen en medeplichtigheid aan het handelen in strijd met de Opiumwet met betrekking tot een grote hoeveelheid verdovende middelen. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep omdat zij niet binnen de wettelijke termijn van zestig dagen na betekening van de aanzegging een schriftuur met middelen van cassatie heeft ingediend.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waardoor de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02503
Zitting15 december 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 21 mei 2019 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ en 2 subsidiair. ‘medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ veroordeeld tot 120 uren taakstraf subsidiair 60 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/02502, 19/02496, 19/02490, 19/02618, 19/02620, 19/02526, 19/02621 en 19/02501. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 30 april 2020 betekend in persoon. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG