Conclusie
1.Feiten
[eiser]) en verweerder in cassatie (hierna:
[verweerder]) een overeenkomst van aanneming van werk gesloten in verband met de aanbouw/verbouwing van de woning van [verweerder] . Door [eiser] is een handgeschreven offerte opgesteld, die door beide partijen is ondertekend. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 45.750,-.
ZNEB) op 5 oktober 2015 onderzoek gedaan naar de door [eiser] verrichte werkzaamheden. Daaraan voorafgaand heeft ZNEB op 24 september 2015 aan [eiser] een uitnodiging gezonden, waaraan deze geen gehoor heeft gegeven.
2.Procesverloop
het hof). Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen in conventie en in reconventie. Hij heeft zijn eis vermeerderd. Primair vordert [eiser] dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van € 30.873,67, met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2015 en subsidiair dat het hof een deskundige aanwijst om hem te adviseren. [6]
in principaal hoger beroep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste deelvan het middel berust op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof en moet daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag falen. Het hof heeft niet miskend dat op [verweerder] de stel- en bewijsplicht rust van het door hem gestelde verwijtbaar tekortschieten van [eiser] , [9] maar geoordeeld dat [verweerder] in het bewijs daarvan is geslaagd. Het hof heeft uit de feitelijke gang van zaken geconcludeerd dat [eiser] in verzuim is komen te verkeren en daarmee schadeplichtig is geworden en heeft verder geoordeeld dat [verweerder] met het overgelegde rapport van ZNEB voldoende heeft onderbouwd dat het verrichte werk ondeugdelijk was en dat het werk ten onrechte niet is voltooid. De geconstateerde gebreken zijn vervolgens als vaststaand aangenomen omdat zij door [eiser] niet zijn betwist.
tweede deelvan het middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof voor zover dat inhoudt dat de hierna te noemen stellingen van [eiser] niet tot een ander oordeel hadden kunnen leiden over de ondeugdelijkheid van het wèl uitgevoerde werk en het daardoor verwijtbaar tekortschieten in de nakoming van de aanneemovereenkomst. [12] Het gaat daarbij om de volgende door [eiser] genoemde omstandigheden:
nietondeugdelijk is. Dat heeft hij echter niet gedaan. Het hof overweegt terecht dat hij het rapport van ZNEB op geen enkele manier inhoudelijk heeft betwist. In plaats daarvan is hij blijven steken in algemeenheden (zie nogmaals het slot van rov. 3.5.4). Nu [eiser] de stellingen waarop hij in cassatie het oog heeft, in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd kon het hof daaraan voorbij gaan. Tot het leveren van bewijs van onvoldoende onderbouwde stellingen hoefde het hof [eiser] niet toe te laten.