ECLI:NL:PHR:2019:981

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2019
Publicatiedatum
1 oktober 2019
Zaaknummer
17/04446
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige oplichting door valse naam en gestolen creditcards bij cruiseboekingen

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 600 dagen, waarvan 208 dagen voorwaardelijk, wegens meervoudige oplichting. De oplichting bestond uit het boeken van drie cruises bij Holland America Line onder valse namen en met behulp van valse of gestolen creditcards. Het hof stelde vast dat de verdachte zich valselijk en listig heeft voorgedaan als een tot betalen bereid zijnde klant, waardoor de cruises werden verleend en betaald met niet-rechtmatige middelen.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slachtoffer was van identiteitsfraude en dat zij de cruises niet zelf had geboekt. Het hof verwierp deze verweren op basis van onder meer foto's die bij het instappen werden gemaakt en waaruit bleek dat de verdachte degene was die onder de valse namen reisde. Ook werd overwogen dat de verdachte wist dat de gebruikte creditcards niet tot bevrijdende betaling konden leiden.

In cassatie werden drie middelen ingediend, waarvan twee inhoudelijk werden verworpen. Het derde middel slaagde omdat de stukken niet tijdig aan de Hoge Raad waren gezonden, waardoor de redelijke termijn werd overschreden. Dit leidde tot een strafvermindering, terwijl de rest van het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Veroordeling voor meervoudige oplichting met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer17/04446
Zitting9 juli 2019
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 7 september 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “oplichting, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 600 dagen, waarvan 208 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij, Holland America Line, ten bedrage van in totaal € 85.584,45 vermeerderd met de wettelijke rente toegewezen en voor ditzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals bepaald in het arrest.
1.2
Het gaat in deze zaak om oplichting van de Holland America Line. De verdachte wordt verweten cruises te hebben geboekt onder valse naam en met behulp van valse of gestolen creditcards.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De bewezenverklaring en nadere overwegingen van het hof

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. (Zaak Reis 1: MS Eurodam)
Zij in de periode van 09 april 2014 tot en met 29 april 2014, te Liverpool, althans Groot-Brittannië, en/of Rome, althans Italië, en/of Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen
Holland America Line (HAL) heeft bewogen tot de afgifte van een goed en het verlenen van een dienst (te weten een cruise met als vertrek- en/of eindpunt Rome (Italië), met bijbehorende kredieten en drankwaren en etenswaren, ter waarde van in totaal 27.269,43 Amerikaanse dollar, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- zich onder een valse naam ([naam 1]) voorgedaan als een tot betalen bereid zijnde klant, en
- een cruise geboekt met behulp van valse/vervalste en/of gestolen/niet op haar naam afgegeven creditcards,
waardoor Holland America Line (HAL) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of verlening van een dienst;
2. (Zaak Reis 2: MS Noordam)
Zij in de periode van 13 juni 2014 tot en met 01 juli 2014 te Liverpool, althans Groot-Brittannië, en/of Rome, althans Italië, en/of Barcelona (Spanje) en/of Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een, of meer listige kunstgrepen, Holland America Line (HAL) heeft bewogen tot de afgifte van een goed en het verlenen van een dienst (te weten een cruise met als vertrekpunt Rome (Italië) en als eindpunt Barcelona (Spanje), met bijbehorende kredieten en drankwaren en etenswaren, ter waarde van in totaal 37.690,98 Amerikaanse dollar, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- zich onder een valse naam ([naam 2]) voorgedaan als een tot betalen bereid zijnde klant, en
- een cruise geboekt met behulp van valse/vervalste en/of gestolen/niet op haar naam afgegeven creditcards,
waardoor Holland America Line (HAL) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en verlening van een dienst;
3. (Zaak Reis 3: MS Prinsendam)
Zij in de periode van 29 maart 2015 tot met 19 april 2015, te Liverpool, althans Groot-Brittannië, en/of Barcelona (Spanje), en/of Istanbul (Turkije), en/of Nederland met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Holland America Line (HAL) heeft bewogen tot de afgifte van een goed en het verlenen van een dienst (te weten een cruise met als vertrekpunt Barcelona (Spanje) en als eindpunt Istanbul (Turkije), met bijbehorende kredieten en drankwaren en etenswaren, ter waarde van in totaal 41.376,97 Amerikaanse dollar, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- zich onder een valse naam ([naam 3]) voorgedaan als een tot betalen bereid zijnde klant, en
- een cruise geboekt met behulp van valse/vervalste en/of gestolen/niet op haar naam afgegeven creditcards,
waardoor Holland America Line (HAL) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en verlening van een dienst.”
2.2
Het hof heeft, naar aanleiding van de verweren die door de raadsman van de verdachte zijn gevoerd, als volgt overwogen:
“Verweren
Door de verdachte is aangevoerd dat zij de reizen als ten laste gelegd onder 1, 2 en 3 niet heeft geboekt en niet heeft gemaakt. De verdachte stelt zich op het standpunt dat zij het slachtoffer is van identiteitsfraude. Daarnaast is namens de verdachte aangevoerd dat het zich voordoen als een tot betaling bereid zijnde klant geen oplichtingshandeling in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert, de verdachte zich hooguit heeft voorgedaan als een klant die al had betaald (en dus niet als een tot betaling bereid zijnde klant) en de ten laste gelegde storneringen in ieder geval niet door de verdachte zijn gedaan. Voorts is er geen bewijs dat de verdachte de cruises zelf heeft geboekt, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 27 oktober 2015 heeft [betrokkene] namens de Holland America Line aangifte van oplichting gedaan tegen de verdachte. Uit intern onderzoek was gebleken dat een vrouwelijke passagier onder gebruikmaking van verschillende (valse) namen en/of identiteiten, meerdere malen een cruise had geboekt en/of gemaakt. Deze cruises werden betaald middels valse/vervalste en/of gestolen creditcards waardoor (vrijwel) alle overgemaakte bedragen later werden gestorneerd.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het strafdossier dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die de hiervoor beschreven werkwijze/constructie middels listige kunstgrepen heeft opgezet en heeft uitgevoerd. De verdachte zocht een luxe cruise uit en boekte die vervolgens met gebruikmaking van een valse naam en/of een valse hoedanigheid telefonisch bij het Holland America Reservation Callcenter. Bij alle drie de reizen is vlak voor aanvang bij het instappen aan boord een foto gemaakt van degene die onder de desbetreffende naam had geboekt (achtereenvolgens [naam 1], [naam 2] en [naam 3]) en de verdachte heeft na het tonen van deze drie foto's verklaard dat zij dat is. Uit niets in het dossier kan blijken dat een onbekende derde die cruises onder de voormelde namen zou hebben geboekt. Voor zover al enige handeling, door een ander zou zijn verricht dient de verdachte ter zake als de functionele dader te worden aangemerkt.
De verdachte maakte bij de boekingen ook gebruik van valse/vervalste en/of gestolen creditcard. De telkens bij aanvang van de reis gemaakte foto is aan een keycard gekoppeld, waarmee de verdachte tijdens die reizen op rekening van die creditcards voor aanzienlijke bedragen betalingen heeft gedaan dan wel geld of krediet heeft opgenomen. Het verweer van de raadsman dat er al was betaald en er dus geen sprake kan zijn geweest van het, zich voordoen als een ter betaling bereid zijnde klant berust naar het oordeel van het hof op een te beperkte lezing van de tenlastelegging. De verdachte wist immers van meet af aan dat met de door haar gebruikte valse en/of gestolen creditcards niet bevrijdend kon en zou worden betaald. In alle gevallen mocht de Holland America Line ervan uitgaan dat er (uiteindelijk) bevrijdend betaald zou worden en niet vervolgens gestorneerd, zodat ook het ten laste gelegde "zich voordoen als een tot betaling bereid zijnde klant" in dit geval is aan te merken als een oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Dit verweer wordt derhalve verworpen.”

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaringen ontoereikend zijn gemotiveerd, voor zover onder 1, 2 en 3 telkens bewezen is verklaard dat de cruises door de verdachte zijn geboekt.
3.2
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de overweging van het hof dat “het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die de (…) beschreven werkwijze/constructie middels listige kunstgrepen heeft opgezet en heeft uitgevoerd’’, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Met name heeft het hof volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd waarom “het niet anders kan” dat de boekingen door de verdachte zijn gedaan.
3.3
Mijns inziens gaat het middel er aan voorbij dat het hof bij zijn overweging dat “de verdachte een luxe cruise [uitzocht] en die vervolgens [boekte] met gebruikmaking van een valse naam en/of een valse hoedanigheid telefonisch bij het Holland America Reservation Callcenter.” tevens in aanmerking heeft genomen dat bij alle drie de reizen vlak voor aanvang bij het instappen aan boord een foto is gemaakt van degene die onder de desbetreffende naam had geboekt (achtereenvolgens [naam 1], [naam 2] en [naam 3]) en dat de verdachte na het tonen van deze drie foto's heeft verklaard dat zij dat is.
3.4
Het feitelijke oordeel van het hof dat de verdachte de cruises heeft geboekt, is door het hof gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
- Ten aanzien van feit 1: [1]
(i) dat op 9 april 2014 een persoon die opgaf te zijn [naam 1] telefonisch contact opnam met het Holland America Line Reservation Callcenter en een 7-daagse cruise boekte op het schip MS Eurodam;
(ii) dat deze cruise op 22 april 2014 zou vertrekken vanuit Rome (Italië) en op 29 april 2014 zou arriveren in Rome (Italië);
(iii) dat [naam 1] op 22 april 2014 in Rome heeft ingecheckt aan boord van de MS Eurodam, dat zij hierbij een paspoort overhandigde op naam van [naam 1] en dat toen van haar een foto werd gemaakt die aan haar gastenaccount werd gekoppeld;
(iv) dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 augustus 2016 bij het tonen van de foto als afgebeeld op blz. 127 (onderzoek Kameleon, zaak 1, ordner 2) heeft verklaard: “De foto linksboven is van de eerste reis. Ik ben dat inderdaad.”
- Ten aanzien van feit 2: [2]
(i) dat op 13 juni 2014 een persoon die opgaf te zijn [naam 2] telefonisch contact opnam met het Holland America Line Reservation Callcenter en een 11-daagse cruise boekte voor twee personen op het schip MS Noordam;
(ii) dat deze cruise op 20 juni 2014 zou vertrekken vanuit Rome (Italië) en op 1 juli 2014 zou arriveren in Barcelona (Spanje);
(iii) dat [naam 2] op 20 juni 2014 in Rome heeft ingecheckt aan boord van de MS Noordam, dat zij hierbij een paspoort overhandigde op naam van [naam 2] en toen van haar een foto werd gemaakt die werd gekoppeld aan haar gastenaccount;
(iv) dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 augustus 2016 bij het tonen van de foto als afgebeeld op blz. 127 (onderzoek Kameleon, zaak 1, ordner 2), heeft verklaard: “De middelste foto boven is van de tweede reis. Ik ben de vrouw die op de foto staat.”
- Ten aanzien van feit 3: [3]
(i) dat op 29 maart 2015 een persoon die opgaf te zijn [naam 3], telefonisch contact opnam met het Holland America Line Reservation Callcenter en een 14-daagse cruise boekte op het schip MS Prinsendam voor zichzelf en voor een tweede persoon genaamd J.R. Morris;
(ii) dat de cruise op 5 april 2015 zou vertrekken vanuit Barcelona (Spanje) en op 19 april 2015 zou arriveren in Istanbul (Turkije);
(iii) dat [naam 3] op 5 april 2015 in Barcelona heeft ingecheckt aan boord van de MS Prinsendam, dat zij hierbij een paspoort overhandigde op naam van [naam 3] en dat toen van haar een foto werd gemaakt die aan haar gastenaccount werd gekoppeld;
(iv) dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 augustus 2016 bij het tonen van de foto als afgebeeld op blz. 127 (onderzoek Kameleon, zaak 1, ordner 2), heeft verklaard: “De middelste foto onder is van de derde reis: Ik ben de vrouw die op de foto staat.”
3.5
Dat het hof op grond van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat het de verdachte is die de cruises heeft geboekt, acht ik niet onbegrijpelijk. De overwegingen van het hof omtrent het eventueel kunnen aanmerken van de verdachte als functionele dader, zijn mijns inziens ten overvloede opgenomen, zodat de klachten hierover niet tot cassatie kunnen leiden.
3.6
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaringen ontoereikend zijn gemotiveerd, voor zover onder 1, 2 en 3 telkens bewezen is verklaard dat de verdachte “valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich onder een valse naam heeft voorgedaan als een tot betalen bereid zijnde klant”.
4.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat met name het onderdeel “als een tot betalen bereid zijnde klant” van, respectievelijk, het onder 1,2 en 3 bewezenverklaarde, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, nu uit deze bewijsmiddelen juist blijkt dat er na de boekingen telkens is betaald, waarna de cruises zijn gemaakt. Dat het geld vrijwel steeds (deels ruim) na de pleegperiodes is gestorneerd, brengt niet mee dat de verdachte zich gedurende de pleegperiode in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als tot betalen bereid zijnde klant. Het oordeel van het hof dat dit wel het geval is omdat de verdachte van meet af aan wist dat met de door haar gebruikte valse en/of gestolen creditcards niet bevrijdend kon en zou worden betaald, volgt volgens de steller van het middel niet uit de bewijsmiddelen.
4.3
Naar mijn mening treft het middel geen doel. Dat er aanvankelijk wel is betaald, welke betalingen later zijn gestorneerd, is juist een belangrijk element van verdachtes bedrieglijk, listiglijk en in strijd met de waarheid handelen tegenover Holland American Line. Het zich tegenover deze cruiseschipmaatschappij voordoen als een ander en onrechtmatig betalingen verrichten in naam van die ander zou, doordat deze betalingen werden verricht met een creditcard, immers pas later aan het licht komen. Het hof heeft dit verwoord als het zich voordoen als een tot betalen bereid zijnde klant en kon dit naar mijn mening zonder meer als een oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht aanmerken. Dat de verdachte moet hebben geweten dat zij op deze wijze niet bevrijdend kon betalen lijkt mij evident en volgt naar mijn mening ook uit de gebezigde bewijsmiddelen die reeds bij de bespreking van het eerste middel zijn aangehaald.
4.4
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het middel bevat de klacht dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.
5.2
Namens de verdachte is op 8 september 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 16 oktober 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim vijf maanden is overschreden. Daarover wordt dus terecht geklaagd. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.
5.3
Het derde middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO Pro.

6.Conclusie

6.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bewijsmiddel 1 in de aanvulling op het vonnis in eerste aanleg (welk bewijsmiddel het hof heeft overgenomen) en het ten aanzien van feit 1 opgenomen bewijsmiddel in de bijlage bij het bestreden arrest (welk bewijsmiddel het hof in de plaats stelt van bewijsmiddel 3 in de aanvulling op het vonnis in eerste aanleg).
2.Zie bewijsmiddel 4 in de aanvulling op het vonnis in eerste aanleg (welk bewijsmiddel het hof heeft overgenomen) en het ten aanzien van feit 2 opgenomen bewijsmiddel in de bijlage bij het bestreden arrest (welk bewijsmiddel het hof in de plaats stelt van bewijsmiddel 6 in de aanvulling op het vonnis in eerste aanleg).
3.Zie bewijsmiddel 7 in de aanvulling op het vonnis in eerste aanleg (welk bewijsmiddel het hof heeft overgenomen) en het ten aanzien van feit 3 opgenomen bewijsmiddel in de bijlage bij het bestreden arrest (welk bewijsmiddel het hof in de plaats stelt van bewijsmiddel 9 in de aanvulling op het vonnis in eerste aanleg).