Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
opgericht. [verweerster 1] is zelfstandig bevoegd bestuurder van [verweerster 2] . Naar blijkt uit de akte van levering van 11 november 2011 is het kasteelklooster aan [verweerster 2] geleverd.
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
vóór 1 april 2014over afname voldoende zekerheid te verschaffen, is hij – niet op 1 april 2014 (de voor de voldoening aan die verbintenis bepaalde termijn) maar –
op 15 mei 2014in verzuim geraakt. Bij nadere beschouwing is dit echter niet werkelijk ongerijmd. Een afspraak volgens welke de schuldenaar bij wijze van nevenverbintenis zich verplicht om vóór een bepaalde datum voldoende zekerheid te verschaffen dat hij de op hem rustende hoofdverbintenis zal kunnen nakomen, komt neer op een contractuele regeling die varieert op de wettelijke regeling van ‘anticipatory breach’ van art. 6:80 BW Pro. Die wettelijke regeling gaat ervanuit dat onder omstandigheden de gevolgen van niet-nakoming intreden vóórdat de vordering opeisbaar is, maar dat in dat geval het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging (lid 2). Naar het voorbeeld van art. 6:80 BW Pro heeft het hof aangenomen dat de omstandigheid dat [eisers] niet vóór 1 april 2014 aan [verweersters] de overeengekomen zekerheid over afname had verschaft, ertoe leidde dat [eisers] vanaf 15 mei 2014 (de opgeschoven datum van opeisbaarheid van de hoofdverbintenis) rente aan [verweersters] verschuldigd werd.
vóór 1 april 2014aan [eisers] was om zekerheid te verschaffen omtrent de afname van het kasteelklooster . Als gezegd is in dat verband niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat die zekerheid niet is verschaft door het tonen van een overeenkomst met [betrokkene 4] , die indirect door de heer en mevrouw [eisers] werd bestuurd en welke overeenkomst zowel voor de koper als voor de verkoper is ondertekend door de heer en mevrouw [eisers] (de verkopers) en [eiser 1] (voor de koper). In dit verband is wel degelijk relevant dat [eisers] zelf geen enkele liquiditeit meer had. Die omstandigheid maakt immers dat op basis van alleen deze overeenkomst er geen enkele grond was voor [verweersters] om aan te nemen dat de door [eisers] indirect bestuurde [betrokkene 4] , in tegenstelling tot [eisers] zelf, wel in staat zou zijn het kasteelklooster af te nemen (zelfs voor een koopsom van inmiddels 2,4 miljoen euro). Dat [eisers] mogelijk wel aanvullende informatie had kúnnen verstrekken, kan er niet aan afdoen dat hij dat niet heeft gedaan.
hof)tenminste opgeld doet. Hiervan uitgaande is een taxatie van € 400.000,— onverenigbaar, aldus [eisers] .
as isis vastgesteld en is gebaseerd op de verkoopwaarde in onderhandse en niet-gerenoveerde staat en derhalve niet als project. [5] Het subonderdeel betoogt dat hetgeen het hof heeft overwogen, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. De door het hof genoemde omstandigheid dat in 2014 er geen gunstige exploitatiemogelijkheden bestaan, is wat betreft de taxatie van 11 mei 2011 niet van belang, omdat in die taxatie niet werd uitgegaan van de mogelijkheid om een project in het kasteelklooster te realiseren.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
onderdeel 1zich richt tegen de beslissing van het hof volgens welke het verzuim niet per 1 april 2014 (standpunt van [verweersters] ) maar per 15 mei 2014 is ingetreden. Onder 3.6 zei ik reeds dat ik mij zeer wel een andere uitleg van de door partijen gemaakte afspraken had kunnen voorstellen, in die zin dat in het geval [eisers] vóór 1 april 2014 niet had voldaan aan de op hem rustende verbintenis om zekerheid te verschaffen over afname per 15 mei 2014, alsnog de oorspronkelijk voor de teruglevering bepaalde termijn bepalend was (1 april 2014). Dat een andere beslissing mogelijk was (of zelfs voor de hand lag), betekent uiteraard op zichzelf nog niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Ik meen echter dat het onderdeel (onder b) terecht aanvoert dat het hof in had moeten gaan op de essentiële stelling van [verweersters] dat de datum van teruglevering alleen voorwaardelijk was verdaagd. [8]