Conclusie
middelklaagt dat het hof de onder 1A, 1B, 2A en 2B bewezenverklaarde feiten ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘terroristisch misdrijf’ als bedoeld in artikel 176a jo. artikel 83, aanhef en onder 2° Sr, nu het hof op grond van kaderbesluitconforme interpretatie de bewezenverklaarde feiten slechts als terroristisch misdrijf mocht aanmerken indien sprake zou zijn geweest van levensgevaar voor personen of indien door de brandstichting grootschalige vernielingen konden worden aangericht. Ook verzoekt de steller van het middel de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over de Nederlandse implementatie van het Kaderbesluit terrorismebestrijding.
molotovcocktails hebben gemaakt, en
vervolgens met molotovcocktails naar de moskee zijn gegaan, en
vervolgens de molotovcocktails hebben aangestoken, en
vervolgens de molotovcocktails hebben gegooid naar/in de richting van de moskee,
B) (medeplegen van voltooide brandstichting met terroristisch oogmerk)
molotovcocktails aangestoken en
vervolgens de molotovcocktails gegooid naar/in de richting van de moskee,
voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en
plannen voor de uitvoering van het misdrijf in gereedheid heeft gebracht,
B) (samenspanning)
hij op 27 februari 2016 te Enschede, heeft samengespannen tot het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, immers zijn verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar met voormeld oogmerk:
een bevolking ernstig vrees aan te jagen, of
de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, dan wel
de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen:
Kamerstukken II, 2001 /2002, 28463, nr. 3 (MvT), p. 6
royale implementatie’ van het kaderbesluit en heeft daarmee meer gedaan dan waartoe het minimaal verplicht is. [8] De memorie van toelichting vermeldt hieromtrent het volgende:
°Sr juncto art. 176a Sr, als terroristische misdrijven aangemerkt. Het hof overweegt hieromtrent onder andere dat op basis van de verklaringen van één van de medeverdachten kan worden vastgesteld dat tijdens een bijeenkomst van de verdachte en zijn medeverdachten in de schuur van één van de medeverdachten door hen allen is besloten
‘om het islamitische gedeelte van de bevolking bang te maken. De verdachten wilden hiermee tevens de gemeente ertoe bewegen af te zien van het realiseren van een asielzoekerscentrum.’Daartoe hebben de verdachte en zijn medeverdachten, gezien ’s hofs vaststellingen, voorbereidingen getroffen en afspraken gemaakt teneinde brand te stichten in de moskee in Enschede. De achterliggende gedachte was volgens het hof om gevoelens van angst en paniek te veroorzaken en om die reden hebben de verdachten uitdrukkelijk de moskee als kenmerkende symbool van de Islamitische geloofsgemeenschap als doelwit gekozen. Zodoende hebben zij getracht de lokale overheid te dwingen iets niet te doen, te weten het realiseren van een asielzoekerscentrum, en heeft de verdachte beoogd – in elk geval – een deel van de Islamitische bevolking vrees aan te jagen. In zoverre zijn de strafbare feiten met een terroristisch oogmerk begaan, aldus het hof. [11] Dit oordeel geeft gezien hetgeen ik hiervoor onder 9 heb opgemerkt geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
‘geen reden [is] om deze bepalingen conform het kaderbesluit zo uit te leggen dat brandstichting alleen dan als terroristisch misdrijf is aan te merken indien het met een terroristische oogmerk is gepleegd en daardoor mensenlevens in gevaar kunnen worden gebracht of als grootschalige vernieling van bepaalde voorzieningen worden veroorzaakt waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of grote economische schade kan worden aangericht’geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook deze klacht faalt.