ECLI:NL:PHR:2019:411

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/05550
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens ontbreken cassatiemiddelen na veroordeling Opiumwet

De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin hij was veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3, onder B, van de Opiumwet. Hoewel de aanzegging van het cassatieberoep geldig is betekend, heeft de raadsman van de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn.

Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep. De verdachte was door het hof veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe dat de Hoge Raad de niet-ontvankelijkheid van de verdachte bevestigt. Er is samenhang met andere zaken (17/05551 en 17/05552) waarin soortgelijke conclusies zijn gegeven.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 17/05550
Zitting: 23 april 2019 (bij vervroeging)
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 8 november 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 17/05551 en 17/05552. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG