ECLI:NL:PHR:2019:360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen cassatiemiddelen
De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens poging tot zware mishandeling en mishandeling van een kind dat zij verzorgt of opvoedt. Tevens is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld.
De aanzegging van het cassatieberoep is op 3 mei 2018 aan de verdachte betekend. Echter, binnen de wettelijke termijn is geen schriftuur houdende cassatiemiddelen door de raadsman van de verdachte ingediend bij de Hoge Raad. Hierdoor kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen op grond van artikel 437, tweede lid, Sv.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. Er zijn geen middelen ingediend en er is geen inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.