Conclusie
advocaat: mr. S.F. Sagel
1.Feiten
Na grondig overleg met [de General Manager][A-G: de General Manager van Roto Frank Western Europe]
en (…) deze voormiddag, willen we je hierbij melden dat wij niet akkoord gaan met de loop van zaken noch met jullie onderlinge overeenkomst/voorstel. (…)
Hoewel we je bekend veronderstellen met de regelgeving binnen Roto op het gebied van geheimhouding, willen we je er zekerheidshalve op wijzen dat het niet is toegestaan informatie betreffende (of afkomstig van) Roto te delen met [de directeur van PlazaProjects], of met welke derde dan ook. Mocht [de directeur van PlazaProjects] zich bij jou melden voor zakelijke aangelegenheden betreffende Roto, dan verwachten we van je dat je dit per omgaande aan (…) of [de General Manager van Roto Frank ] zult melden en dat je hier niet op reageert.”
Ook zonder de brief van [de HR-manager] ken ik de regels en hou ik me daar vooralsnog aan.”
Hey [de directeur van PlazaProjects] ,
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatieberoep
Onderdeel 1klaagt dat die beslissing onbegrijpelijk is, omdat het hof er ten onrechte vanuit gaat dat Roto Frank niet heeft betwist dat de afspraken reeds in januari 2016 zijn gemaakt. Volgens
onderdeel 2, onder a,berust de beslissing op een onjuiste rechtsopvatting over wat verstaan moet worden onder ernstig verwijtbaar handelen in de zin van de artikelen 7:673 lid 3 sub c BW en art. 7:671b lid 8 sub b BW. Volgens
onderdeel 2, onder b, is de beslissing rechtens onjuist, omdat het hof ten onrechte heeft laten meewegen dat de Werknemer zelf geen geldelijk gewin heeft gehad bij zijn handelwijze. Bovendien heeft het hof ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken of de Werknemer kwade bedoelingen had of Roto Frank opzettelijk heeft benadeeld. Ten slotte wordt bij
onderdeel 2, onder c, geklaagd dat, zelfs al zou de Werknemer geen geldelijk gewin bij zijn handelwijze of kwade bedoelingen hebben gehad, en/of Roto Frank niet opzettelijk hebben benadeeld, dat dan nog niet de beslissing kan dragen dat de Werknemer niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ten slotte bevat
onderdeel 3een voortbouwklacht.
Woondroomzorg-beschikking het volgende: [6]
3.4.3 Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat deze uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.”
uitzonderlijkegevallen, waarin
evidentis dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd als gevolg van handelen of nalaten van de werknemer dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt, vervalt het recht op de transitievergoeding. Daarmee heeft de uitzonderingsgrond van art. 7:673 lid Pro 7, onder c, BW een beperkte reikwijdte en moet de uitzondering door de rechter
terughoudendworden toegepast.
Woondroomzorg-beschikking besliste de Hoge Raad verder het volgende:
3.4.4 Bij de beoordeling of de uitzonderingsgrond van art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW van toepassing is, zijn de omstandigheden van het geval – waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer – slechts van belang voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid. De overige omstandigheden van het geval (dus omstandigheden die geen verband houden met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid, noch met de verwijtbaarheid van die gedragingen) zijn in dit verband niet van betekenis.”
extragefactureerde logies/maaltijden. Daarvan was echter geen sprake. De kosten van Roto Frank waren juist lager door het huren van woning B. Daarom verkeerde de Werknemer in de veronderstelling dat hij geen toestemming hoefde te vragen aan Roto Frank . Verder brengt de Werknemer naar voren (onder punt 25) dat de huurgarantie maximaal en in het meest ongunstige geval € 3.000,- beliep. Voor een groot bedrijf als Roto Frank is dat geen schokkend bedrag. Ten slotte voert de Werknemer aan (onder 26) dat in januari 2016 absoluut niet voorzienbaar was dat de directeur van PlazaProjects op korte termijn zou vertrekken; de inkt van de handtekeningen onder de verlengde overeenkomst met Roto Frank was nauwelijks droog en de overeenkomst zou lopen van 1 april 2016 tot 1 april 2019. De werknemer heeft zich nooit gerealiseerd dat zijn handelen zou worden aangemerkt als antedateren (onder 30).
nahet ontstaan van het conflict tussen Roto Frank en PlazaProject een afspraak over huurgarantie met de directeur van PlazaProject heeft gemaakt, die hij heeft geantedateerd, om de directeur van PlazaProject munitie te verstrekken in de procedure tegen Roto Frank en het dus
geenvastlegging van een eerder gemaakte afspraak betrof. De bewijslast van deze stelling ligt dan ook bij Roto Frank . Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Werknemer heeft Roto Frank haar stelling niet met bewijsstukken onderbouwd. Evenmin heeft zij bewijs van de stelling aangeboden. Dat betekent dat cassatie en verwijzing naar een ander hof niet tot een andere beslissing kan leiden omdat, bij gebreke aan een op de betreffende stelling toegespitst bewijsaanbod, de verwijzingsrechter Roto Frank niet hoeft toe te laten tot bewijslevering met betrekking tot deze stelling.
subonderdeel 2ais het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘ernstig verwijtbaar handelen’ als bedoeld in art. 7:673 lid 7 sub c BW Pro. Betoogd wordt dat ook een ernstige schending van het vertrouwen van de werkgever in zijn werknemer als ernstig verwijtbaar handelen kan worden aangemerkt. Nu het hof heeft vastgesteld (a) dat de Werknemer de brief met daarin gemaakte afspraken met PlazaProjects in oktober 2016 heeft geantedateerd op 5 januari 2016, (b) de Werknemer bij e-mail van 8 januari 2016 uitdrukkelijk erop is gewezen dat Roto Frank het voorstel om ten behoeve van de directeur van PlazaProjects en de Werknemer een woning te huren afwees en daarop geen enkele wijze aan wilde meewerken en uit de eigen verklaringen van de Werknemer volgt dat de afspraken in ieder geval enige tijd na 8 januari 2016 zouden zijn gemaakt [7] en ook het hof daar vanuit gaat, is het hof kennelijk uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over ‘ernstig verwijtbaar handelen’ door desondanks te oordelen dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Dit geldt temeer nu (c) de Werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.
subonderdeel 2bis de beslissing van het hof onjuist, omdat het ten onrechte heeft laten meewegen dat de Werknemer zelf geen geldelijk gewin had bij zijn handelswijze. Die omstandigheid is namelijk niet relevant voor de vraag of, en in hoeverre, het handelen van de Werknemer het vertrouwen van Roto Frank in hem ernstig heeft geschaad en in redelijkheid heeft kunnen schaden. Hetzelfde geldt voor het laten meewegen van de omstandigheid of de Werknemer bij zijn handelswijze kwade bedoelingen had en of hij Roto Frank opzettelijk heeft benadeeld.
Woondroomzorg-beschikking [8] heeft te gelden dat alleen in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd als gevolg van handelen of nalaten van de werknemer dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt, het recht op de transitievergoeding vervalt (zie onder 3.5). Verder blijkt uit die beschikking dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, alleen omstandigheden kunnen meewegen (1) voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid, of (2) voor zover deze verband houden met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid (zie onder 3.6).
onder 2cin dat de overweging van het hof dat geen sprake is van geldelijk gewin, opzet en/of kwade bedoeling, de beslissing van het hof dat de Werknemer niet ernstig heeft gehandeld in ieder geval niet kan dragen in het licht van wat is aangevoerd bij onderdeel 1. Daarbij wordt gewezen op de omstandigheid dat de geantedateerde brieven door PlazaProjects zijn gebruikt in het geschil met Roto Frank , en dat de Werknemer op het moment dat hij de teksten voor de gewraakte brieven opstelde en de brieven antedateerde, op de hoogte was van het beëindigen van de samenwerkingsovereenkomst tussen Roto Frank en PlazaProjects. Ook wist de Werknemer dat sprake was van een geschil tussen Roto Frank en PlazaProjects. Dat hij toen, ondanks andersluidende instructies en met die wetenschap, toch de brieven heeft opgesteld, duidt erop dat de Werknemer wel degelijk de opzet had om Roto Frank te benadelen. Het hof heeft die omstandigheden niet kenbaar bij zijn oordeel betrokken.
ernstigverwijtbaar handelen opleveren, berust op een feitelijke waardering van de feiten en omstandigheden van het geval, die zich grotendeels onttrekt aan de toetsing in cassatie. Nu niet is komen vast te staan dat
geensprake is geweest van het vastleggen van eerder gemaakte afspraken én ervan moet worden uitgegaan dat de Werknemer in het geheel geen voordeel heeft gehad van zijn handelwijze, is ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijk en geeft het evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in zoverre falen de subonderdelen 2a en 2b.