Conclusie
eerste middelklaagt over de motivering van het onder 1. bewezenverklaarde, omdat het oordeel van het hof dat [betrokkene 2] tegen haar wil was uitgehuwelijkt en dat haar familie bij die beslissing bleef, niet uit de vaststellingen van het hof kan volgen.
tweede middelklaagt (1) dat het medeplegen en de voorbedachte rade niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid aangezien het hof de bewezenverklaring mede heeft gebaseerd op het motief voor het doden van [betrokkene 1] , terwijl dit motief niet blijkt uit de bewijsmiddelen en (2) dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat geen sprake is van eerwraak zonder in het bijzonder de redenen daarvoor op te geven.
“De relatie met het latere slachtoffer [betrokkene 1]
Motief voor het doden van [betrokkene 1] : eergerelateerd geweld
derde middelklaagt dat een redengevende omstandigheid niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, en dat het hof ook niet de vindplaats heeft aangegeven van deze redengevende omstandigheid.
vierde middelklaagt dat over de waarneming van een getuige van een man waarvan het hof heeft aangenomen dat het de verdachte was. Het
vijfde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de man zonder hesje die door de getuige is gezien, de verdachte was.
zesde middelborduurt voort op de waarnemingen van de getuigen van middel 4 en 5 en klaagt over de verwerping van het verweer dat deze getuigen niet de verdachte, maar [verdachte] moeten hebben gezien.
zevende middelklaagt dat het oordeel van het hof dat [verdachte] (pas) op 09.01.43 te plaatse was niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid en dat het verweer dat de berekening van dit tijdstip onjuist is, op onbegrijpelijke gronden is verworpen.
achtste middelklaagt net als middel 2 over de bewezenverklaring van medeplegen en voorbedachte rade. Het gaat met name weer in op de vraag of de verdachte en [verdachte] samen zijn geweest op het moment dat [betrokkene 1] werd omgebracht. Die vraag heeft het hof niet beantwoord, omdat het op basis van de beschikbare gegevens niet kan vaststellen of de verdachte net voor of net na de liquidatie is weggereden. Maar dat maakt voor het aannemen van voorbedachte rade en het medeplegen in casu niet uit. Het is vooral het gezamenlijk maken van een plan voor de liquidatie en het plannen van de handelingen erna alsmede het motief die maken dat volgens het hof niet alleen sprake is van moord (dus voorbedachte rade) maar ook van het medeplegen waarbij het niet uitmaakt wie uiteindelijk de schoten heeft gelost.
negende middelklaagt over feit 2, het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en de pleegdatum.
tiende middeltenslotte. Dat klaagt over de redelijke termijn in cassatie.