ECLI:NL:PHR:2018:730

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2018
Publicatiedatum
4 juli 2018
Zaaknummer
17/05254
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte bij arrest van 12 juni 2017 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor meerdere diefstallen gepleegd door middel van braak en inklimming, gepleegd door twee of meer verenigde personen, alsmede deelneming aan een criminele organisatie. De veroordeling omvatte diverse diefstal delicten gedurende de nachtelijke uren en poging daartoe.

Verdachte stelde op 26 juni 2017 beroep in cassatie in. De aanzegging van het cassatieberoep werd op 6 december 2017 aan verdachte persoonlijk betekend. Echter, binnen de vereiste termijn van twee maanden na betekening werd door of namens verdachte geen schriftuur met cassatiemiddelen ingediend.

Op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro leidt het ontbreken van tijdige indiening van middelen tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn cassatieberoep. Er is samenhang met andere zaken, maar deze conclusie betreft uitsluitend het ontbreken van middelen in deze zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 17/05254
Zitting: 22 mei 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 12 juni 2017 ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, het onder 2 en 5 bewezenverklaarde “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, het onder 4 bewezenverklaarde “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”, het onder 6 bewezenverklaarde “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, het onder 7 bewezenverklaarde “poging tot diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, het onder 8 bewezenverklaarde “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en het onder 9 bewezenverklaarde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaken 17/03055 en 17/05274. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is op 26 juni 2017 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is op 6 december 2017 aan de verdachte in persoon betekend. Namens hem zijn echter geen middelen van cassatie voorgesteld.
Ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu de verdachte niet door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, dient hij in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG