Conclusie
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 23 september 2016 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 38.842,61 en veroordeelde de betrokkene tot betaling van € 35.531,55 aan de staat. De betrokkene stelde in cassatie dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, met name omdat het rapport vooral aanwijzingen bevat die specifiek duiden op een eerdere oogst in ruimte E en niet in ruimte A.
De Hoge Raad overweegt dat krachtens artikel 511f Sv de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts aan wettige bewijsmiddelen mag worden ontleend. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, blijkt dat in beide ruimtes een eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Dit wordt onder meer ondersteund door vondsten van resten hennepplanten, knipscharen, cannacutter, potgrond met wortelresten en kalk- en schimmelafzettingen in verschillende ruimtes.
Het hof heeft daarnaast de bewezenverklaarde periode van wederrechtelijke elektriciteitsaftap in aanmerking genomen. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat in beide ruimtes een eerdere oogst is gerealiseerd niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.