ECLI:NL:PHR:2018:560

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2018
Publicatiedatum
5 juni 2018
Zaaknummer
17/03078
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatie wegens te late indiening schriftuur

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een eerder vonnis waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van valsheid in geschrift en witwassen.

De Hoge Raad oordeelt dat de schriftuur met de middelen van cassatie niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend. Hoewel de schriftuur gedateerd is op de laatste dag van de termijn, is deze pas twee dagen later bij de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Er is geen uitstel aangevraagd.

Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, Sv, en wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld en het vonnis van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens te late indiening van de schriftuur.

Conclusie

Nr. 17/03078
Zitting: 10 april 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 18 januari 2017 is het vonnis van beroep door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, bevestigd, waarbij de verdachte wegens 1. “het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00517, 17/00518, 17/00519 en 17/03080. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. K. Tunç, advocaat te Hengelo (Overijssel) twee middelen van cassatie voorgesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 15 juli 2017 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft op straffe van niet-ontvankelijkheid voor dat binnen twee maanden na betekening van deze aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. Deze termijn vangt aan daags na de dag waarop de aanzegging is betekend en is in de voorliggende zaak derhalve op 13 september 2017 geëindigd.
Weliswaar is de cassatieschriftuur gedateerd op 13 september 2017, dat neemt niet weg dat blijkens de stukken van het geding de schriftuur eerst op 15 september 2017 per post is ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. [1] Blijkens de stukken van het geding is aan de rolraadsheer geen uitstel gevraagd voor het indienen van een schriftuur.
6. Nu niet is gebleken dat de verdachte binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv. Dat brengt met zich dat de verdachte in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen.
7. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Niet blijkt uit de gedingstukken dat de schriftuur (eerder) per fax bij de Hoge Raad is ingekomen.