ECLI:NL:PHR:2018:559

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2018
Publicatiedatum
5 juni 2018
Zaaknummer
17/00519
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens kennelijke schrijffout in proces-verbaal over aanwezigheid verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder medeplegen van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Overijssel en wijzigde de tenlastelegging voor enkele feiten.

In het cassatieberoep klaagt de verdediging over een tegenstrijdigheid in het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2016. Enerzijds staat vermeld dat verdachte niet is verschenen, anderzijds dat verdachte cautie is verleend en vermaand. De verdediging stelt dat deze tegenstrijdigheid leidt tot nietigheid van het onderzoek en daarmee het arrest.

De Hoge Raad oordeelt dat uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte niet aanwezig was, dat de raadsvrouw uitdrukkelijk gemachtigd was de verdediging te voeren en dat de vermelding van cautie een kennelijke schrijffout is. Deze fout rechtvaardigt geen nietigheid of ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. Tevens wordt een eerdere foutieve datum van uitspraak in het arrest gecorrigeerd. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een kennelijke schrijffout in het proces-verbaal.

Conclusie

Nr. 17/00519
Zitting: 10 april 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij arrest van 18 januari 2017 [1] heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het eindvonnis van de rechtbank Overijssel van 1 december 2014 bevestigd voor zover de verdachte daarin wegens – kort gezegd – 1. medeplegen van het in een authentieke akte doen opnemen van een valse opgave, meermalen gepleegd, 2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 3. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 4. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, 5. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest, zulks met overneming van gronden en de opgelegde straf. Wat betreft de bewezenverklaring van feit 6 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken en van medeplegen van witwassen een gewoonte maken” en feit 7 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en in zoverre opnieuw rechtgedaan, omdat het de vordering tot wijziging van de tenlastelegging van die feiten heeft toegelaten, en beslissingen genomen ten aanzien van drie benadeelde partijen met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00517, 17/00518, 17/03078 en 17/03080. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelklaagt namens de verdachte, die dat kennelijk zelf niet meer weet, dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2016 tegenstrijdig is over zijn aanwezigheid op die terechtzitting. Zo vermeldt – aldus de toelichting op het middel – dat proces-verbaal enerzijds dat de verdachte toen niet is verschenen, dat de raadsvrouw ter terechtzitting aanwezig is en heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en dat aan de raadsvrouw het recht wordt gelaten het laatst te spreken, doch anderzijds dat de voorzitter de verdachte vermaant oplettend te zijn etc. en de verdachte meedeelt dat deze niet tot antwoorden verplicht is. Vanwege “het belang van deze tegenstrijdigheid”, zou de gestelde onjuistheid een verzuim zijn dat tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en daarmee tot nietigheid van het arrest moet leiden.
5. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 7 december 2016 – waaruit blijkt dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, dat de raadsvrouw heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren en voorts het woord tot verdediging heeft gevoerd en dat de raadsvrouw het recht heeft gekregen het laatste woord te voeren –, ben ik van mening dat het er in cassatie zonder meer voor kan worden gehouden dat de verdachte niet aanwezig was ter terechtzitting en dat de vermelding van de cautie aan de verdachte per abuis in het proces-verbaal is opgenomen en als een kennelijke schrijffout valt aan te merken.
6. Het voorgaande brengt mee dat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, zodat het een behandeling van het beroep in cassatie niet rechtvaardigt. [2] Het beroep dient daarom gezien art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Per abuis vermeldt het arrest op pagina 1 als datum van uitspraak 21 december 2016. Dat moet zijn 18 januari 2017 (zie p. 13 van het arrest en het proces-verbaal d.d. 18 januari 2017).
2.HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146,