ECLI:NL:PHR:2018:454

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
15 mei 2018
Zaaknummer
17/01023
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte bij arrest veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor diefstal en poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten gunste van de benadeelde partijen.

Verdachte heeft op 8 augustus 2016 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging conform art. 435 lid 1 Sv Pro is op 23 maart 2017 aan verdachte betekend. Echter, binnen de gestelde termijn van twee maanden is door de raadsman van verdachte geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend.

Op grond van art. 437 lid 2 Sv Pro leidt het niet indienen van middelen tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 17/01023
Zitting: 20 maart 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte bij arrest van 26 juli 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014, ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd” en het onder 3 en 4 bewezenverklaarde “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN Amro geheel en van de benadeelde partij [A] gedeeltelijk toegewezen en een daarmee overeenkomende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaken 16/03963, 16/03980 en 16/04436. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is op 8 augustus 2016 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging zoals bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is op 23 maart 2017 aan de verdachte in persoon betekend. Namens hem is door mr. Taghi, advocaat te Waardenburg, echter geen middel van cassatie voorgesteld.
Ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu de verdachte niet door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, dient hij in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG