ECLI:NL:PHR:2018:454
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte bij arrest veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor diefstal en poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten gunste van de benadeelde partijen.
Verdachte heeft op 8 augustus 2016 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging conform art. 435 lid 1 Sv Pro is op 23 maart 2017 aan verdachte betekend. Echter, binnen de gestelde termijn van twee maanden is door de raadsman van verdachte geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend.
Op grond van art. 437 lid 2 Sv Pro leidt het niet indienen van middelen tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.