Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
bedrijfsvoorraadbehoren en de belanghebbende onverwijld nadat is geconstateerd dat de accijnsgoederen zijn [vernietigd], daarvan melding doet bij de inspecteur”. In deze zaak is in geschil of de in Roemenië gevestigde vennootschap [X] S.R.L. (belanghebbende) [2] aanspraak kan maken op een dergelijke teruggaaf voor na diefstal teruggevonden sigaretten die in Frankrijk onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd. In het bijzonder is in geschil of de vernietigde sigaretten behoren tot een ‘bedrijfsvoorraad’ in de hiervoor bedoelde zin.
economischebedrijfsvoorraad van belanghebbende zijn blijven behoren. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de sigaretten boekhoudkundig op belanghebbendes rekening ‘voorraad in transit’ zijn blijven staan en de teruggevonden sigaretten pas na de vernietiging onder ambtelijke toezicht van deze rekening zijn afgeboekt, zodat het economische risico van de sigaretten tot de vernietiging bij belanghebbende is gebleven. Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat het teruggaafverzoek terecht is afgewezen op de grond dat belanghebbende op het moment waarop de vernietiging onder ambtelijk toezicht plaatsvond niet de
fysieke beschikkingsmachthad over de sigaretten.
eerste cassatiemiddelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden ter verkrijging van teruggaaf als bedoeld in de nationale accijnsregelgeving. Met het
tweede cassatiemiddelstelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte – door een onjuiste uitleg/duiding van het begrip ‘bedrijfsvoorraad’ in de nationale accijnsregelgeving – heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden ter verkrijging van teruggaaf. In het
derde cassatiemiddelstelt belanghebbende dat de door het Hof gegeven uitlegging van de nationale accijnsregelgeving leidt tot strijdigheid met artikel 11 van Pro richtlijn 2008/118/EG [3] (de Accijnsrichtlijn) en met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Tot slot betoogt belanghebbende in haar
vierde cassatiemiddeldat het Hof ten onrechte een of meer stellingen van belanghebbende buiten beschouwing heeft gelaten, dan wel deze onvoldoende in de beschouwing heeft betrokken dan wel ten onrechte niet heeft aangegeven waarom deze stellingen geen doel treffen.
eersteen
derdecassatiemiddel, in samenhang gelezen, slagen.
tweede cassatiemiddelslaagt dan dus.
vierde cassatiemiddelbehoeft verder geen behandeling meer.
Cilfit [11] – belanghebbende niet in dit verzoek omdat het begrip ‘bedrijfsvoorraad’ naar zijn oordeel geen Unierechtelijk begrip is maar een in de nationale wet gestelde voorwaarde, waarvan de uitleg niet aan het HvJ kan zijn. Volgens het Hof is het enkele feit dat een partij stelt dat het geschil een vraag van uitlegging van het Unierecht doet rijzen, voor de betrokken rechter geen reden om aan te nemen dat “een vraag is opgeworpen” in de zin van artikel 267 VWEU Pro. Het staat aan de rechter zich in voorkomend geval ambtshalve tot het HvJ te wenden.
3.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden ter verkrijging van teruggaaf als bedoeld in de WA en het UB. Belanghebbende betoogt dat de door het Hof gegeven uitleg van artikel 28, lid 1, van het UB, dat op het moment van de vernietiging de betreffende accijnsgoederen tot de fysieke voorraad van belanghebbende moeten behoren, niet richtlijnconform is omdat deze uitlegging strijdig is (i) met het met de Accijnsrichtlijn beoogde doel en (ii) met de bewoordingen van artikel 11, eerste alinea, van deze richtlijn. Het doel van deze richtlijn is, aldus belanghebbende, de vaststelling van een algemene regeling ter zake van de heffing van accijns op het verbruik van accijnsgoederen (artikel 1, lid 1, van de Accijnsrichtlijn). Een heffing van accijns op de accijnsgoederen die onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd is in de visie van belanghebbende in strijd met dit doel, omdat het verbruik van deze accijnsgoederen per definitie nimmer heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Over de strijdigheid met de bewoordingen van de Accijnsrichtlijn merkt belanghebbende op dat, gelet op artikel 11 van Pro de Accijnsrichtlijn, de voorwaarden die lidstaten mogen stellen aan een verzoek om teruggaaf van accijns moeten zien op de voorkoming van fraude en misbruik. De door het Hof toegepaste interpretatie van de in artikel 28, lid 1, van het UB opgenomen voorwaarde voor teruggaaf (het ‘fysieke-voorraadvereiste’) houdt geen verband met voorkoming van fraude en misbruik. Het Hof had volgens belanghebbende wel prejudiciële vragen moeten stellen aan het HvJ.
tweede cassatiemiddelstelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte – door een onjuiste uitleg/duiding van het begrip ‘bedrijfsvoorraad’ in artikel 28, lid 1, van het UB – heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden ter verkrijging van teruggaaf als bedoeld in de WA en het UB. Belanghebbende meent dat de door de Rechtbank gegeven uitlegging vanuit nationaal oogpunt (boekhoudkundige bedrijfsvoorraad) meer in de rede ligt dan de door het Hof gegeven uitleg (fysieke traceerbaarheid). Volgens belanghebbende is het enerzijds onduidelijk wat het Hof bedoelt met de overweging dat “het systeem van de Accijnswetgeving gebaseerd is op een fysieke traceerbaarheid van accijnsgoederen”, te meer nu vaststaat dat de betreffende accijnsgoederen, vanwege het op de pakjes bedrukte unieke identificatienummer, op het moment van vernietiging, fysiek traceerbaar waren. Anderzijds betekent een systeem van fysieke traceerbaarheid niet dat het begrip bedrijfsvoorraad moet worden uitgelegd als ‘een fysieke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen’; fysieke traceerbaarheid staat immers los van fysieke beschikkingsmacht (illustratief is het onderhavige geval). Indien goederen boekhoudkundig tot de bedrijfsvoorraad behoren, kunnen zaken zoals de soort, hoeveelheid en samenstelling van de accijnsgoederen beter worden aangetoond. Bovendien biedt de door de Rechtbank gegeven uitlegging volgens belanghebbende een uitkomst die in lijn is met het doel van een verbruiksbelasting als de accijns.
derde cassatiemiddelstelt belanghebbende dat de door het Hof gegeven uitlegging van artikel 28, lid 1, van het UB leidt tot strijdigheid met artikel 11 van Pro de Accijnsrichtlijn en met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Gelet op de doelstelling van artikel 11 van Pro de Accijnsrichtlijn (considerans ((9) en (12)) en de jurisprudentie van het HvJ (
Duitsland/Commissie [13] en
Kvaerner) [14] ), staat die bepaling in de weg aan een nationaal gestelde voorwaarde voor teruggaaf die bewerkstelligt dat een verzoek om teruggaaf wordt afgewezen hoewel aan de volgende drie voorwaarden is voldaan (zoals in casu): (i) accijns is geheven in strijd met de doelstelling van de Accijnsrichtlijn, (ii) uitgesloten is dat sprake is van fraude of misbruik en (iii) om teruggaaf is verzocht. Het stellen van de eis dat goederen op het moment van vernietiging tot de fysieke voorraad van de belanghebbende behoren, is niet geschikt noch noodzakelijk voor het bereiken van het met de nationale regeling nagestreefde doel, het voorkomen van fraude en misbruik. Enerzijds houdt deze eis geen verband met dit doel. Anderzijds is deze eis niet noodzakelijk omdat niet de mogelijkheid wordt geboden om tegenbewijs te bieden dat geen sprake is van fraude of misbruik. Vanwege het ontbreken van geschiktheid en noodzakelijkheid van deze eis bewerkstelligt deze eis dat ook in situaties als de onderhavige waarin vaststaat dat geen sprake is van fraude of misbruik aan de kant van belanghebbende, enkel vanwege het ontbreken van fysieke beschikkingsmacht op het moment van vernietiging, in weerwil van de doelstelling van de betreffende Unierechtelijke regeling, het recht op teruggaaf wordt ontzegd.
vierde cassatiemiddeldat het Hof ten onrechte een of meer stellingen van belanghebbende buiten beschouwing heeft gelaten, dan wel deze in ieder geval onvoldoende in zijn beschouwing heeft betrokken dan wel ten onrechte niet heeft aangegeven waarom deze stellingen geen doel treffen.
Dansk [16] . Uit dit arrest (punt 86) leidt de Staatssecretaris af dat heffing van accijns/het niet-tenietgaan van de accijnsschuld in dat geval niet in strijd werd geacht met doel en strekking van de Accijnsrichtlijn en evenmin onevenredig werd geacht. Dit heeft in zijn visie ook te gelden bij uitslag door onttrekking aan een accijnsschorsingsregeling.
Dansk-arrest.
vierde cassatiemiddelmerkt de Staatssecretaris nog op dat het Hof wel degelijk de door belanghebbende aangevoerde stelling, dat artikel 28 van Pro het UB richtlijnconform moet worden uitgelegd, heeft behandeld.
4.Wet- en regelgeving en wetsgeschiedenis
in de gevallen als bepaald in de in artikel 1 genoemde Pro richtlijnen, alsmede op verzoek van een betrokken persoon worden teruggegeven of kwijtgescholden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, in de situaties en onder de voorwaarden die elke lidstaat bepaalt om elke vorm van fraude en misbruik te voorkomen.Deze teruggaaf of kwijtschelding geeft geen aanleiding tot andere vrijstellingen dan die waarin wordt voorzien bij artikel 12 en Pro bij de in artikel 1 genoemde Pro richtlijnen.”
Artikel 10bepaalt de voorwaarden voor de teruggaaf of de kwijtschelding van de accijns,
met uitzondering van die welke in de in artikel 31, lid 4, en artikel 34, lid 7, omschreven gevallen gelden, en vervangt artikel 22, leden 1 en 2, van Richtlijn 92/12/EEG. In tegenstelling tot laatstgenoemde bepalingen, die uitsluitend op een specifieke situatie zien, wordt in het voorstel als algemeen beginsel neergelegd dat het aan de lidstaten is om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden teruggaaf of kwijtschelding van de accijns wordt toegestaan. Teruggaaf of kwijtschelding mag evenwel niet mogelijk zijn wanneer dit tot gevolg zou hebben dat accijnsgoederen vrij van accijns worden verbruikt in andere dan de in artikel 11 genoemde Pro gevallen. De ingewikkelde procedure van artikel 22, lid 2, van Richtlijn 92/12/EG kan worden geschrapt omdat zij overbodig wordt zodra het EMCS operationeel wordt.”
Stb. 1991/754) bevat geen aanknopingspunten voor de invulling van dit begrip. In de memorie van toelichting (MvT) bij (de invoering) van de WA is eind jaren 80 wel opgemerkt (met mijn cursivering): [31]
over te gaan van een op fysiek toezicht gebaseerde heffingsmethodiek naar een op administratief toezicht gebaseerd systeem. De controle op de afdracht van de verschuldigde belasting is thans bij de meeste accijnsgoederen gebaseerd op het klassieke systeem van fysieke controle. Die vorm van controle is terug te voeren op de historische wortels van de accijnsheffing. Zoals het thans evenwel, in tegenstelling tot vroeger, dankzij administratieve technieken mogelijk is belastingen op winst en inkomen te realiseren, zo is het nu ook mogelijk om het administratieve toezicht een veel grotere rol te laten spelen bij de accijnsheffing.
Stb.1992, 711) [34] , in werking getreden op 1 januari 1993. In de considerans bij die wijzigingswet is expliciet vermeld dat de wetgeving inzake accijnzen onder meer moet worden aangepast aan de voornoemde richtlijnen. Onderdeel c van artikel 71, lid 1, WA werd gewijzigd en aan lid 1 werden twee onderdelen toegevoegd (e en f). In de MvT is onder meer opgemerkt dat de teruggaafregelingen werden aangepast aan artikel 22 van Pro richtlijn 92/12 (cursivering van mijn hand): [35]
Onderdeel U (artikel 71)
Zij vormen de uitwerking van artikel 22 van Pro de richtlijn.”
5.De toepassingsvoorwaarden voor een WA-teruggaaf
BP Europa [37] , punten 21 tot en met 23, en de daar genoemde rechtspraak. In de onderhavige zaak zijn partijen het erover eens dat de diefstal van de 2.910 x 1.000 sigaretten (onttrekking op onregelmatige wijze) tijdens de overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling tot het belastbare feit ‘uitslag tot verbruik’ heeft geleid ter zake waarvan accijns verschuldigd is geworden (artikel 7, lid 2, onder a), van de Accijnsrichtlijn en artikel 2, lid 1, onderdeel a, juncto artikel 1, lid 2, WA; zie punt 4.1 van de uitspraak van het Hof). Het Hof heeft partijen daarin mijns inziens terecht gevolgd (zie hierna in onderdeel 5.2 en 5.3). Aangezien in het onderhavige geval niet kon worden vastgesteld waar de in de uitslag tot verbruik resulterende onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, wordt deze geacht in Nederland te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd (artikel 10 lid 2 van Pro de Accijnsrichtlijn en artikel 2c, lid 2, WA). [38]
ingevolge instructies van de bevoegde autoriteiten, niet aangemerkt als uitslag tot verbruik. Toepassing van artikel 7, lid 4, van de Accijnsrichtlijn heeft tot gevolg dat geen sprake is van uitslag tot verbruik. Indien die bepaling in dit geval wel van toepassing zou zijn, zou – uiteraard – niet worden toegekomen aan de fictiebepaling van artikel 10 van Pro de Accijnsrichtlijn voor de bepaling van de plaats waar de uitslag tot verbruik plaatsvindt. Dit volgt uit artikel 10, lid 6, van de Accijnsrichtlijn dat bepaalt dat voor de toepassing van artikel 10 onder Pro ‘onregelmatigheid’ wordt verstaan, een andere dan de in artikel 7, lid 4, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 20, lid 2, is geëindigd. Het HvJ heeft in
BP Europageoordeeld dat de overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling eindigt bij het constateren van een tekort (zie punt 35). In de onderhavige situatie zijn partijen mijns inziens uitgegaan van een juiste rechtsopvatting door de diefstal aan te merken als uitslag tot verbruik. De vernietiging van de onderhavige sigaretten heeft immers plaatsgevonden na het constateren van het tekort (maar liefst circa 9 maanden later), dus lang nadat de accijnsschorsingsregeling is beëindigd. Aldus heeft uitslag tot verbruik plaatsgevonden en is de accijns verschuldigd geworden.
6.Welke voorwaarden mogen Unierechtelijk aan de teruggaaf worden gesteld?
kanworden teruggegeven of kwijtgescholden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, “in de situaties en onder de voorwaarden die elke lidstaat bepaalt om elke vorm van fraude en misbruik te voorkomen”. Artikel 11, aanhef en onderdeel b, van richtlijn 95/59 en – voor de onderhavige periode – artikel 17, aanhef en onderdeel b, van richtlijn 2011/64 bepalen dat van de accijns kan worden vrijgesteld of dat teruggaaf van de reeds voldane accijns kan worden gekregen voor tabaksfabrikaten die onder overheidstoezicht worden vernietigd. In de laatste bepalingen is voorts opgenomen dat de lidstaten bepalen aan welke voorwaarden en formaliteiten moet worden voldaan om voor deze vrijstellingen of teruggaven in aanmerking te komen (zie onderdeel 4.11 hiervoor). Voor wat betreft de voorwaarden die de lidstaten mogen stellen, is de teruggaafbepaling in de Accijnsrichtlijn derhalve strikter geformuleerd dan de teruggaafbepaling in respectievelijk richtlijn 95/59 en richtlijn 2011/64. Artikel 11 van Pro de Accijnsrichtlijn eist immers dat de voorwaarden die lidstaten aan teruggaaf mogen stellen moeten zien op het voorkomen van fraude en misbruik. Een dergelijke beperking aan de teruggaafvoorwaarden is niet opgenomen in artikel 11 van Pro richtlijn 95/59 en artikel 17 van Pro richtlijn 2011/64. [40]
eerste cassatiemiddeldat de door het Hof gegeven uitleg van artikel 28, lid 1, van het UB strijdig is met de bewoordingen van artikel 11, eerste alinea, van de Accijnsrichtlijn, omdat de voorwaarde dat de accijnsgoederen tot een bedrijfsvoorraad behoren niet wordt gesteld ter voorkoming van fraude en misbruik. Mede gelet op de tweede volzin van artikel 11 van Pro de Accijnsrichtlijn heb ik mezelf de vraag gesteld of voor de beoordeling van het onderhavige geschil te rade moet worden gegaan bij de Accijnsrichtlijn of bij richtlijn 2011/64. In hoger beroep deed belanghebbende nog een beroep op richtlijn 95/59 (de voorloper van richtlijn 2011/64). In cassatie noemt zij nog slechts de ‘striktere’ teruggaafbepaling van de Accijnsrichtlijn. Uit het verweerschrift in cassatie leid ik af dat de Staatssecretaris meent dat een beroep op beide richtlijnen mogelijk is, maar dat beide de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid geven. Hierna zal ik ingaan op de vraag wat nu precies de verhouding is tussen de teruggaafregelingen in richtlijn 2011/64 en de Accijnsrichtlijn. Gaat de teruggaafregeling van artikel 17 richtlijn Pro 2011/64 vóór op die van artikel 11 van Pro de Accijnsrichtlijn omdat de eerste een meer specifieke regeling (
lex specialis) betreft of moet tevens worden voldaan aan de meer algemeen geformuleerde teruggaafregeling van de Accijnsrichtlijn? Het antwoord op deze vraag bepaalt of de door de lidstaten te stellen voorwaarden aan de teruggaafregeling moeten zien op het voorkomen van fraude en misbruik of dat deze beperking juist niet geldt.
In comparison with the latter provisions, which only cover a specific situation, Article 11 lays down as a general principle that it is for Member States to determine the cases and the conditions in which a reimbursement or remission of excise duty is granted.Reimbursement or remission should, however, not be possible in case this would allow the exempt consumption of excise goods other than those provided for under Article 12, i.e. in the context in the context of diplomatic or consular relations; and of international organisations.
Also, conditions imposed must be enacted in order to prevent possible evasion or abuse.The complex procedure of Article 22(2) of Directive 92/12/EEC has been removed as redundant the ECMS becoming operational.”
naast(i) de in artikel 33, lid 6, artikel 36, lid 5, en artikel 38, lid 3, van de Accijnsrichtlijn bedoelde gevallen, en (ii) de gevallen als bepaald in de in artikel 1 van Pro de Accijnsrichtlijn genoemde richtlijnen, teruggaaf kan worden verleend “op verzoek van een betrokken persoon” in situaties zoals vast te stellen door de lidstaten en onder de voorwaarden die de lidstaten bepalen om elke vorm van fraude en misbruik te voorkomen. Ik verwijs in dit verband naar de Franse, Engelse en Duitse versies van de bepaling: [42]
Outreles cas visés à l'article 33, paragraphe 6, à l'article 36, paragraphe 5, et à l'article 38, paragraphe 3, ainsi que ceux prévus par les directives visées à l'article 1er, les droits d'accise applicables aux produits soumis à accise qui ont été mis à la consommation peuvent, à la demande d'un intéressé, faire l'objet d'un remboursement ou d'une remise par les autorités compétentes de l'État membre dans lequel les produits concernés ont été mis à la consommation, dans les situations définies par les États membres et selon les conditions fixées par eux afin de prévenir toute forme éventuelle de fraude ou d'abus.
In addition tothe cases referred to in Article 33(6), Article 36(5), and Article 38(3), as well as those provided for by the Directives referred to in Article 1, excise duty on excise goods which have been released for consumption may, at the request of a person concerned, be reimbursed or remitted by the competent authorities of the Member State where those goods were released for consumption in the situations fixed by the Member States and in accordance with the conditions that Member States shall lay down for the purpose of preventing any possible evasion or abuse.
Nebenden in Artikel 33 Absatz Pro 6, Artikel 36 Absatz Pro 5 und Artikel 38 Absatz Pro 3 genannten Fällen, sowie den Fällen, die in den in Artikel 1 genannten Pro Richtlinien vorgesehen sind, kann die Verbrauchsteuer für in den steuerrechtlich freien Verkehr überführte verbrauchsteuerpflichtige Waren auf Antrag einer betroffenen Person von den zuständigen Behörden des Mitgliedstaats, in dem die Waren in den steuerrechtlich freien Verkehr überführt wurden, in den von den Mitgliedstaaten festgelegten Situationen und zu den Bedingungen, die die Mitgliedstaaten zur Vorbeugung von Steuerhinterziehung oder Missbrauch festlegen, erstattet oder erlassen werden.
eerste cassatiemiddelfaalt in zoverre. Op basis van een richtlijnconforme uitleg kom ik hierna echter tot de slotsom dat het
eerste cassatiemiddel– in samenhang gelezen met het
derde cassatiemiddel– toch slaagt. Ik licht dat hierna toe.
eerste cassatiemiddeluitsluitend een richtlijnconforme uitleg van de nationale regeling door toetsing aan de tekst en doel van de Accijnsrichtlijn bepleit, meen ik dat het middel – in samenhang gelezen met het
derde cassatiemiddel– een meer algemene strekking heeft in die zin dat belanghebbende beoogt dat de in artikel 28 UB Pro gestelde voorwaarde dat ‘de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren’ moet worden getoetst aan het Unierecht. Daarom meen ik in de stellingen van belanghebbende te kunnen lezen dat ’s Hofs uitlegging van artikel 71, lid 1, aanhef en onderdeel b, WA en artikel 28 UB Pro (ook) strijdig is met de bewoordingen en het doel van richtlijn 2011/64 en niet alleen met de bewoordingen en met het doel van de Accijnsrichtlijn.
The Rank Group [48] ). Die vrijheid is echter niet onbegrensd; een lidstaat moet de grenzen van een toegekende beoordelingsbevoegdheid eerbiedigen (vgl. onder meer punten 35 en 36 van
Goed Wonen [49] ). Het is de taak van de nationale rechter te beoordelen of de lidstaat de gestelde grenzen heeft geëerbiedigd door te toetsen of de nationale maatregel in overeenstemming is met het door de betreffende richtlijn(bepaling) nagestreefde doel en de context ervan (zie hiervoor) en in overeenstemming is met de beginselen van Unierecht (vgl. punt 41 van
The Rank Group).
Hotel Sava Rogaška [50] :
toezicht’ als “de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn”.
Yesmoke Tobacco [54] overwogen dat deze richtlijn ertoe strekt te zorgen voor een goede werking van de interne markt en voor een neutraal mededingingsklimaat:
Salumets e.a. [55] dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich verzet tegen een algemeen onderscheid tussen legale en illegale transacties, met uitzondering van de gevallen waarin wegens de bijzondere kenmerken van bepaalde goederen elke mededinging tussen een legale en een illegale economische sector is uitgesloten. Voor goederen die niet als van het economische circuit uitgesloten producten kunnen worden beschouwd (zoals de onderhavige sigaretten) gelden de belasting – zoals accijns en btw – en de douanerechten die normaal op grond van het Unierecht zijn verschuldigd (zie punt 23 van
Salumets e.a.). Overeenkomstig het beginsel van de fiscale neutraliteit scheert de Accijnsrichtlijn legale en illegale transacties dan ook over een kam. Artikel 7, lid 2, onder a), van de Accijnsrichtlijn stelt immers de onregelmatige onttrekking aan een accijnsregeling gelijk aan een (regelmatige) onttrekking; beide worden als ‘uitslag tot verbruik’ aangemerkt. Om te zorgen voor een neutraal mededingingsklimaat binnen de Unie, dienen de lidstaten het beginsel van fiscale neutraliteit in mijn visie ook in acht te nemen bij de door richtlijn 2011/64 geboden mogelijkheid van een accijnsteruggaafregeling. Regelmatig onttrokken en onregelmatig onttrokken goederen zouden anders ongelijk worden behandeld terwijl in beide situaties de goederen zich bevinden in het economische circuit en de mogelijkheid van verbruik zich voordoet. Het recht op teruggaaf kan in mijn visie niet afhankelijk worden gesteld van de soort onttrekking, regelmatig of onregelmatig. Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich mijns inziens ertegen dat de vernietiging van veraccijnsde goederen die zich in het legale circuit bevinden wel leidt tot teruggaaf van de betaalde accijns en de vernietiging van veraccijnsde goederen die zich even in het illegale circuit hebben bevonden, niet. Om deze reden kan het standpunt van de Staatssecretaris dat de onderhavige teruggaafregeling – in het bijzonder het begrip ‘bedrijfsvoorraad’ – aldus moet worden uitgelegd dat gestolen goederen moeten worden uitgesloten van de teruggaafregeling niet worden aanvaard.
Danskgaat mank, omdat in de onderhavige zaak – anders dan in genoemd arrest van het HvJ – niet de vraag speelt of een belastbaar feit voor de accijns plaatsvindt, maar of de reeds ter zake van de uitslag tot verbruik voldane accijns moet worden teruggegeven. In de onderhavige zaak is de vernietiging de aanleiding voor het teruggaafverzoek en niet de diefstal (belanghebbende heeft op 24 juli 2012 aangifte gedaan voor een verschuldigd bedrag van € 454.081 aan accijns voor alle gestolen sigaretten, maar heeft om een teruggaaf van een bedrag van € 132.443,79 accijns verzocht ter zake van de door de Franse Douane na in beslagname vernietigde 849.000 sigaretten). Om dezelfde reden kan de verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, waarin is vermeld dat de teruggaaf niet wordt verleend in geval van diefstal (zie onderdeel 4.23), de Staatssecretaris niet baten.
British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco [56] , punt 87,
en British AmericanTobacco [57] , punt 72), werkt de mogelijkheid om bij vernietiging van de onderhavige sigaretten terugbetaling van accijns te verkrijgen geen misbruik of fraude in de hand. Door de vernietiging bestaat immers niet meer het risico dat de gestolen producten worden verbruikt in een lidstaat van de Unie.
op het moment waarop de vernietiging onder ambtelijk toezicht plaatsvindtfysiek tot de bedrijfsvoorraad van een belanghebbende moeten behoren, is daarmee in strijd. Die uitleg sluit immers gestolen veraccijnsde goederen uit van de teruggaaf (en, zo lijkt mij, vreemd genoeg ook veraccijnsde goederen die buiten het bedrijf van de desbetreffende belastingplichtige worden vernietigd).
eersteen
derde cassatiemiddelmoeten mijns inziens in samenhang worden bezien (zie onderdeel 6.9).
eersteen
derde cassatiemiddel. Ik geef uw Raad in overweging de uitspraak van het Hof te vernietigen en de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen.
Wat wordt verstaan onder ‘tot een bedrijfsvoorraad behoren’ in de zin van artikel 28 van Pro het UB?
tweede cassatiemiddelstelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte – door een onjuiste uitleg/duiding van het begrip ‘bedrijfsvoorraad' in artikel 28, lid 1, van het UB – heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden ter verkrijging van teruggaaf als bedoeld in de WA en het UB.
in voorraadhebben. [59] Zij kunnen onder omstandigheden een teruggaaf van omzetbelasting krijgen voor die goederen. Het recht op teruggaaf dient te kunnen worden aangetoond aan de hand van boeken en bescheiden. Hoewel dit artikel zijn belang heeft verloren, geeft de parlementaire geschiedenis wel enig inzicht in wat de wetgever verstaat onder voorraad. Ik leid uit deze parlementaire geschiedenis [60] af dat de (mede)wetgever heeft willen aanknopen bij de boekhouding van een belanghebbende voor de vaststelling van de voorraad. Hij is hier heel duidelijk over: [61]
tweede cassatiemiddelslaagt dus.
vierde cassatiemiddelbehoeft verder geen behandeling meer.