Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
eerstecassatiemiddel) of Verordening nr. 91/2009 ongeldig is vanwege strijdigheid met respectievelijk Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende de beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (de Basisverordening (oud)) [3] en Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (de Basisverordening (nieuw)) [4] .
tweedeen
vijfde cassatiemiddel), of de term ‘blijken’ in artikel 78 van Pro het CDW Communautair Douanewetboek (CDW) [6] , moet worden uitgelegd als ‘aannemelijk maken’ (
derde cassatiemiddel) en of het Hof zijn oordeel mocht baseren op gegevens die geen deel uitmaken van het procesdossier (
vierde cassatiemiddel).
eerste,
tweedeen
vijfde cassatiemiddelbehandel ik in de bij de onderhavige zaak, en de zaken met nrs. 17/02030, 17/02035 en 17/02038 behorende gemeenschappelijke bijlage. [7] Het
derdeen
vierdecassatiemiddel komen in de onderhavige conclusie aan bod.
tweedetot en met het
vijfde cassatiemiddelfalen. Met betrekking tot het
eerste cassatiemiddelgeef ik de Hoge Raad in overweging het HvJ een prejudiciële vraag te stellen.
3.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelluidt:
tweede cassatiemiddelluidt:
behoudens andersluidende bepalingen, geen aanleiding tot terugbetaling van voor die datum ingevorderde rechten.”
geven geen aanleiding tot terugbetaling van voor die datum ingevorderderechten.”
vierde cassatiemiddelluidt:
vijfde cassatiemiddelluidt:
tweede cassatiemiddel. In aanvulling daarop voert belanghebbende aan dat Uitvoeringsverordening 924/2012 strekt tot wijziging van Verordening nr. 91/2009 teneinde deze verordening in overeenstemming te brengen met de WTO-antidumpingovereenkomst, hetgeen meebrengt dat deze verordening terugwerkende kracht heeft (te meer omdat in die verordening niet is bepaald dat deze geen terugwerkende kracht heeft).
4.Geldigheid Verordening 91/2009
eersteen
vijfde cassatiemiddel) verwijs ik naar hoofdstukken 2 tot en met 8 van de bij de onderhavige conclusie en de conclusies met zaaknummers 17/02030, 17/02035 en 17/02038 behorende gemeenschappelijke bijlage. Onder verwijzing naar hoofdstuk 8 van de gemeenschappelijke bijlage mist het
vijfde cassatiemiddel in mijn visie doel.
eerste cassatiemiddelgeef ik de Hoge Raad in overweging het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU Pro het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake de volgende vraag:
eerste cassatiemiddeldat het Hof dit oordeel had moeten motiveren.
CILFIT/Ministero della Sanità [17] oordeelt het HvJ:
kanelke rechterlijke instantie van een Lid-Staat, indien zij een beslissing over een uitleggingsvraag noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Volgens de derde alinea is, wanneer een uitleggingsvraag wordt opgeworpen in een zaak aanhanging bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie
gehoudenzich tot het Hof van Justitie te wenden.”
eerste cassatiemiddel.
5.Terugwerkende kracht Uitvoeringsverordening nr. 2016/278
tweede cassatiemiddelfaalt.
6.Terugbetaling antidumpingrechten
tweede cassatiemiddelfaalt eveneens.
7.Graad bewijslast
blijktdat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.”
HR BNB 1971/55 [24] heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat het de bedoeling van de Nederlandse wetgever is geweest in belastingwetten met betrekking tot de zwaarte van de bewijslast onderscheid te maken tussen ‘blijken’ en ‘aannemelijk maken’. Het woord ‘blijken’ wordt gebezigd wanneer zekere feiten volledig bewezen moeten worden, dat wil zeggen overtuigend moeten worden aangetoond, en van ‘aannemelijk maken’ wordt gesproken wanneer met een zwakkere vorm van bewijs kan worden volstaan. Dit arrest gaat dus over de bedoeling die de Nederlandse wetgever heeft bij het redigeren van nationale belastingwetten.
onvoldoende aannemelijk heeft gemaaktdat de op de aangifte vermelde gegevens onjuist waren. Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk.
De tegen dit oordeel gerichte klacht faaltderhalve.”
derde cassatiemiddelvan belanghebbende faalt dus ook. Het middel noopt in mijn optiek niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad kan zich dan ook, onder verwijzing naar artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechtelijke organisatie (RO), bij de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.
8.Bewijs
vierde cassatiemiddelbevat klachten ter zake van de bewijslevering in hoger beroep. Volgens belanghebbende had het Hof niet kunnen aannemen dat de Inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Belanghebbende voert onder meer aan dat het Hof in punt 5.12 van de bestreden uitspraak verwijst naar Thaise in- en uitvoeraangiften die geen deel uitmaken van het procesdossier. Het Hof heeft deze bescheiden niet kunnen/mogen raadplegen en had deze dan ook niet als bewijsmiddelen in aanmerking mogen nemen, aldus belanghebbende.
vierde cassatiemiddelklachten over de waardering van bewijsmiddelen. Aangezien de Hoge Raad als cassatierechter niet bevoegd is oordelen van feitelijke aard op juistheid te onderzoeken, dienen ook deze klachten te worden verworpen.
vierde cassatiemiddelfaalt. Ook dit middel kan in mijn visie worden afgedaan met verwijzing naar artikel 81, lid 1, Wet RO.