Conclusie
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin verdachte was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. De verdediging had een voorwaardelijk verzoek ingediend tot het laten uitvoeren van een gezichtsvergelijking door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), omdat de herkenning van verdachte door verbalisanten op camerabeelden volgens hen geen daadwerkelijke herkenning maar een gezichtsvergelijking betrof die deskundig uitgevoerd moest worden.
Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat het proces-verbaal van bevindingen niet als bewijs werd gebruikt. Echter, uit het arrest blijkt dat het hof dit proces-verbaal wel als bewijsmiddel heeft betrokken, waardoor de motivering van het hof onbegrijpelijk is. De advocaat-generaal stelt daarom voor het arrest van het hof te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De Hoge Raad volgt dit advies en wijst erop dat inmiddels meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat bij een eventuele strafoplegging rekening gehouden moet worden met deze termijnoverschrijding. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.