ECLI:NL:PHR:2018:184

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 februari 2018
Publicatiedatum
12 maart 2018
Zaaknummer
17/01275
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 WAMArt. 1 punt 1 Eerste richtlijnArt. 29 WAM-richtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling reikwijdte verplichte verzekeringsdekking bij ongeval met multifunctioneel motorrijtuig

In deze zaak staat de uitleg van het begrip 'deelneming aan het verkeer van voertuigen' in art. 3 lid 1 van Pro de WAM-richtlijn centraal, na een ongeval met een vorkheftruck in een loods. Het hof had geoordeeld dat elk gebruik van een voertuig dat overeenkomt met de gebruikelijke functie ervan onder dit begrip valt, ongeacht of het voertuig aan het rijden was. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad betoogt dat dit een onjuiste rechtsopvatting is, vooral voor multifunctionele motorrijtuigen.

De zaak werd mede beïnvloed door recente prejudiciële uitspraken van het HvJEU, waaronder het arrest Rodrigues de Andrade, waarin werd geoordeeld dat bij multifunctionele voertuigen moet worden onderzocht of het voertuig op het moment van het ongeval voornamelijk als vervoermiddel of als machine werd gebruikt. Dit onderscheid is cruciaal voor de toepassing van de verplichte verzekeringsdekking.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het hof om te bepalen of de vorkheftruck tijdens het ongeval als vervoermiddel of als machine werd gebruikt. Hiermee wordt de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking nader vastgesteld in lijn met het Unierecht en de recente jurisprudentie van het HvJEU.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar het gebruik van de vorkheftruck als vervoermiddel of machine.

Conclusie

Zaaknr: 17/01275
mr. P. Vlas
Zitting: 23 februari 2018
Aanvullende conclusie inzake:
Achmea Schadeverzekeringen N.V. h.o.d.n. Interpolis,
(hierna: Achmea)
tegen
1. [verweerster 1],
2. [verweerder 2],
3. [verweerster 3],
(hierna gezamenlijk: [verweerder])

1.Inleiding

1.1
Op 26 januari 2018 heb ik in deze zaak conclusie genomen, waarin ik heb geadviseerd tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU over de uitleg van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ als bedoeld in art. 3, eerste alinea, van Richtlijn 2009/103/EG (hierna: de WAM-richtlijn). Na het nemen van mijn conclusie is mij gebleken dat het HvJEU op 28 november 2017 een prejudiciële beslissing over de uitleg van art. 3 WAM Pro-richtlijn heeft gewezen op grond waarvan het stellen van de door mij voorgestelde vraag overbodig is geworden (zaak C-514/16, ECLI:EU:C:2017:908 (
Rodrigues de Andrade), PbEU nr. C 32 van 29 januari 2018). Door deze prejudiciële beslissing is voor de onderhavige procedure in cassatie thans sprake van een ‘acte éclairé. Naar aanleiding van deze ontwikkeling heb ik op 5 februari 2018 verzocht een aanvullende conclusie te mogen nemen, welk verzoek door de Hoge Raad is ingewilligd.
1.2
Voor de feiten en het procesverloop van de onderhavige zaak, alsmede voor het juridisch kader verwijs ik naar mijn eerdere conclusie.

2.Aanvullende bespreking van het cassatiemiddel

2.1
In onderdeel 1.1 betoogt het middel dat het hof in rov.3.4.3 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking op grond van art. 3 lid 1 WAM Pro.
2.2
Het hof heeft in rov. 3.4.3 geoordeeld dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd door te verwijzen naar het
Vnuk-arrest van het HvJEU, waarin het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus wordt uitgelegd dat het mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’. Hierbij heeft het hof overwogen dat dit oordeel geldt zowel in het geval de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval de vorkheftruck niet aan het rijden was. Zoals ik in 2.14 van mijn eerdere conclusie heb opgemerkt neemt het hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet langer behoeft te worden onderzocht of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. In mijn eerdere conclusie heb ik opgemerkt dat het hof niet op grond van het
Vnuk-arrest tot dit oordeel kon komen en dat gerede twijfel bestaat over de vraag op welke wijze het
Vnuk-arrest moet worden uitgelegd.
2.3
Het HvJEU heeft in zijn reeds genoemde arrest van 28 november 2017 (
Rodrigues de Andrade) nadere uitleg gegeven aan art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn. [1] In deze zaak ging het om het volgende. Op een wijngaard in Portugal werd op een aflopend terrein in terrasvorm bestrijdingsmiddel op de wijnstokken aangebracht. Het bestrijdingsmiddel bevond zich in een reservoir vastgemaakt aan de achterkant van een landbouwtractor. De tractor stond stil op een vlak landweggetje, maar de motor draaide om de pomp aan te drijven voor het sproeien van het bestrijdingsmiddel. Door een combinatie van verschillende factoren (te weten (i) het gewicht van de tractor, (ii) de trillingen die de motor en de sproeier teweegbrachten en (iii) zware regenval) ontstond een aardverschuiving waardoor de tractor werd meegesleept, over de terrassen viel en één van de werknemers die op een lager gelegen wijngaard werkzaam was, dodelijk raakte. De weduwnaar van de betrokken werkneemster heeft onder meer tegen de verzekeringsmaatschappij, waarbij de eigenaar van de tractor een verzekering had afgesloten, een geding aangespannen ter verkrijging van schadevergoeding. In eerste aanleg heeft de Portugese rechter de vordering ten aanzien van de verzekeringsmaatschappij afgewezen op de grond dat de tractor in deze zaak niet betrokken was bij een verkeersongeval dat viel onder de dekking van de verplichte WAM-aansprakelijkheidsverzekering, aangezien het ongeval zich niet had voorgedaan in het kader van het gebruik van de betrokken tractor als verkeersmiddel. In hoger beroep heeft de Portugese rechter aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over de uitleg van art. 3, eerste alinea, Eerste richtlijn. Het HvJEU heeft in punt 25 van zijn arrest overwogen dat de verwijzende rechter:
‘in wezen (wenst) te vernemen of artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling bedoelde begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ een situatie valt waarin een tractor die op een landweg op een landgoed stilstond terwijl de motor draaide om een aan deze tractor bevestigde pomp van een bestrijdingsmiddelensproeier aan te drijven, werd meegesleurd bij een grondverschuiving die was veroorzaakt door een combinatie van factoren – te weten het gewicht van de tractor, de trillingen die door de motor van de tractor ontstonden, alsmede zware regenval – met als gevolg dat een persoon die op dat landgoed werkzaam was, is overleden’.
2.4
Het HvJEU heeft in zijn beslissing herhaald dat een landbouwtractor valt onder het begrip ‘voertuig’ als bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn, omdat het gaat om een ‘rij- of voertuig [dat] bestemd [is] om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en [dat] door een mechanische kracht [kan] worden gedreven’ (punt 28) en dat, zoals reeds in het
Vnuk-arrest is beslist, deze definitie losstaat van het gebruik dat wordt gemaakt of kan worden gemaakt van het betrokken voertuig (punt 29). Ook herhaalt het Hof onder verwijzing naar het
Vnuk-arrest dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ een autonoom begrip van Unierecht vormt en dat gestreefd wordt naar bescherming van slachtoffers (punten 31-33). Onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ valt elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (punt 34). De draagwijdte van dit begrip hangt niet af van het soort terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt (punt 35-36). Het Hof benadrukt dat de motorrijtuigen bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen (punt 37), zodat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (punt 38). Volgens het Hof sluit de omstandigheid dat een voertuig stilstond toen hiermee een ongeval plaatsvond, niet uit dat het gebruik van dat voertuig op dat moment kan vallen onder de functie ervan als vervoermiddel en is daarbij de vraag of de motor op het moment van het ongeval al of niet draaide overigens niet doorslaggevend (punt 39). Het Hof overweegt vervolgens:
‘40. Vervolgens moet met betrekking tot voertuigen die, (…), bestemd zijn om niet alleen gewoonlijk als vervoermiddel te worden gebruikt, maar in bepaalde omstandigheden ook als machine, worden bepaald of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt, in welk geval het onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn kan vallen, of als machine, in welk geval het gebruik niet onder datzelfde begrip valt.
41. In het onderhavige geval volgt uit de door verwijzende rechterlijke instantie verstrekte gegevens dat de betrokken tractor toen daarmee een ongeval plaatsvond, in gebruik was als generator die de motorkracht voor een op de tractor aangebrachte pomp opwekte en dat daarmee een bestrijdingsmiddelensproeier in werking werd gesteld waarmee dit bestrijdingsmiddel op de wijnstokken van een landgoed werd aangebracht. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, houdt een dergelijk gebruik dan ook voornamelijk verband met de functie van de tractor als machine en niet als vervoermiddel en valt het bijgevolg niet onder het begrip “deelneming aan het verkeer” in de zin van art. 3, lid 1, van de Eerste richtlijn.
42. Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling bedoelde begrip “deelneming aan het verkeer van voertuigen” niet valt een situatie waarin een ongeval met een landbouwtractor plaatsvindt terwijl de voornaamste functie van die tractor er op het moment van het ongeval niet in bestond om als vervoermiddel te dienen, maar om als machine de motorkracht op te wekken die nodig was om de pomp van een bestrijdingsmiddelensproeier aan te drijven’.
2.6
Uit deze prejudiciële beslissing van het HvJEU volgt dat het hof in het thans in cassatie bestreden arrest ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet behoeft te worden onderzocht of de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Zoals volgt uit het arrest
Rodrigues de Antradeis het immers met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig, zoals een vorkheftruck in de onderhavige zaak, van belang te onderzoeken of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine. Alleen in het eerste geval valt het gebruik van het voertuig onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van art. 3 lid 1 WAM Pro en valt daarmee het ongeval waarbij het voertuig betrokken was onder de dekking van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering. [2]
2.7
Gelet op het voorafgaande geeft het oordeel van het hof in rov. 3.4.3 dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’ en dat hierbij niet relevant is of de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1.1 slaagt derhalve. Na vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing dient alsnog te worden vastgesteld of de vorkheftruck op het moment waarop deze bij het ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine.
2.1
Onderdeel 1.2behoeft geen behandeling. Ik verwijs naar nr. 2.19 van mijn eerdere conclusie.
2.11
Onderdeel 2bevat een klacht over een ontoelaatbare verrassingsbeslissing (zie onder 2.21 van mijn eerdere conclusie). Gelet op het slagen van onderdeel 1.1 behoeft onderdeel 2 geen behandeling. Bij deze stand van zaken behoeft de veegklacht van onderdeel 3 evenmin bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Strikt genomen ging het net als in het
2.Zie in dit verband ook punten 32 en 33 van de prejudiciële beslissing van het HvJEU van 20 december 2017, zaak C-334/16, ECLI:EU:C:2017:1007 (