Conclusie
1.Inleiding
Rodrigues de Andrade), PbEU nr. C 32 van 29 januari 2018). Door deze prejudiciële beslissing is voor de onderhavige procedure in cassatie thans sprake van een ‘acte éclairé. Naar aanleiding van deze ontwikkeling heb ik op 5 februari 2018 verzocht een aanvullende conclusie te mogen nemen, welk verzoek door de Hoge Raad is ingewilligd.
2.Aanvullende bespreking van het cassatiemiddel
Vnuk-arrest van het HvJEU, waarin het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus wordt uitgelegd dat het mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’. Hierbij heeft het hof overwogen dat dit oordeel geldt zowel in het geval de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval de vorkheftruck niet aan het rijden was. Zoals ik in 2.14 van mijn eerdere conclusie heb opgemerkt neemt het hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet langer behoeft te worden onderzocht of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. In mijn eerdere conclusie heb ik opgemerkt dat het hof niet op grond van het
Vnuk-arrest tot dit oordeel kon komen en dat gerede twijfel bestaat over de vraag op welke wijze het
Vnuk-arrest moet worden uitgelegd.
Rodrigues de Andrade) nadere uitleg gegeven aan art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn. [1] In deze zaak ging het om het volgende. Op een wijngaard in Portugal werd op een aflopend terrein in terrasvorm bestrijdingsmiddel op de wijnstokken aangebracht. Het bestrijdingsmiddel bevond zich in een reservoir vastgemaakt aan de achterkant van een landbouwtractor. De tractor stond stil op een vlak landweggetje, maar de motor draaide om de pomp aan te drijven voor het sproeien van het bestrijdingsmiddel. Door een combinatie van verschillende factoren (te weten (i) het gewicht van de tractor, (ii) de trillingen die de motor en de sproeier teweegbrachten en (iii) zware regenval) ontstond een aardverschuiving waardoor de tractor werd meegesleept, over de terrassen viel en één van de werknemers die op een lager gelegen wijngaard werkzaam was, dodelijk raakte. De weduwnaar van de betrokken werkneemster heeft onder meer tegen de verzekeringsmaatschappij, waarbij de eigenaar van de tractor een verzekering had afgesloten, een geding aangespannen ter verkrijging van schadevergoeding. In eerste aanleg heeft de Portugese rechter de vordering ten aanzien van de verzekeringsmaatschappij afgewezen op de grond dat de tractor in deze zaak niet betrokken was bij een verkeersongeval dat viel onder de dekking van de verplichte WAM-aansprakelijkheidsverzekering, aangezien het ongeval zich niet had voorgedaan in het kader van het gebruik van de betrokken tractor als verkeersmiddel. In hoger beroep heeft de Portugese rechter aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over de uitleg van art. 3, eerste alinea, Eerste richtlijn. Het HvJEU heeft in punt 25 van zijn arrest overwogen dat de verwijzende rechter:
Vnuk-arrest is beslist, deze definitie losstaat van het gebruik dat wordt gemaakt of kan worden gemaakt van het betrokken voertuig (punt 29). Ook herhaalt het Hof onder verwijzing naar het
Vnuk-arrest dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ een autonoom begrip van Unierecht vormt en dat gestreefd wordt naar bescherming van slachtoffers (punten 31-33). Onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ valt elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (punt 34). De draagwijdte van dit begrip hangt niet af van het soort terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt (punt 35-36). Het Hof benadrukt dat de motorrijtuigen bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen (punt 37), zodat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (punt 38). Volgens het Hof sluit de omstandigheid dat een voertuig stilstond toen hiermee een ongeval plaatsvond, niet uit dat het gebruik van dat voertuig op dat moment kan vallen onder de functie ervan als vervoermiddel en is daarbij de vraag of de motor op het moment van het ongeval al of niet draaide overigens niet doorslaggevend (punt 39). Het Hof overweegt vervolgens:
Rodrigues de Antradeis het immers met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig, zoals een vorkheftruck in de onderhavige zaak, van belang te onderzoeken of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine. Alleen in het eerste geval valt het gebruik van het voertuig onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van art. 3 lid 1 WAM Pro en valt daarmee het ongeval waarbij het voertuig betrokken was onder de dekking van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering. [2]