Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 3.13van de cassatiedagvaarding, betoogt dat het hof in de voornoemde rechtsoverwegingen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het miskend heeft dat het na had moeten gaan of algehele vernietiging wel op zijn plaats was, nu [eiser] heeft gesteld dat alleen een gedeeltelijke vernietiging op zijn plaats zou zijn omdat er geen vernietiging aan de orde was voor zover de overeenkomst ziet op perceel [A 002] . Green Homes heeft deze stelling ook onderkend, aldus [eiser] .
onder 3.14van de cassatiedagvaarding, betoogt dat indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen niet voldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. [eiser] voert daartoe aan dat hij zich tegen het beroep op vernietiging heeft verweerd met de stelling dat hooguit een gedeeltelijke vernietiging op zijn plaats zou zijn, dat de vernietiging zich in elk geval niet zou moeten uitstrekken over de verkoop van perceel [A 002] , dat de door het hof in rechtsoverwegingen 4.9.2 en 4.9.3 genoemde gronden voor vernietiging alleen de in de overeenkomst vervatte, tot Bernstorff B.V. betrekkelijke verplichtingen betreffen, dat de verkoop en levering van perceel [A 002] en de voormalige echtelijke woning in de overeenkomst afzonderlijk geregeld zijn, dat hieraan een afzonderlijke prijs is toegekend, dat de verkoop van het perceel af te zonderen viel van de rest van de overeenkomst, dat Green Homes [eiser] zelf heeft benaderd om de transactie tot stand te brengen, dat Green Homes zich aanvankelijk tegen het beroep op de overeenkomst heeft verweerd met een beroep op een formeel gebrek (en niet op dwaling en bedrog), dat [eiser] heeft aangevoerd dat de strook grond voor de exploitatie van het hotel van belang was, alsmede dat de voorgenomen transactie aangaande het hotel later alsnog tot stand is gekomen via de curator.
onder 3.15van de cassatiedagvaarding, klaagt [eiser] dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, omdat voorbij is gegaan aan de essentiële stelling dat hooguit een gedeeltelijke vernietiging op zijn plaats is en die vernietiging zich in ieder geval niet zou uitstrekken over perceel [A 002] . Gelet hierop had het hof moeten onderzoeken of tussen het onderdeel van de overeenkomst betreffende perceel [A 002] en de rest een onverbrekelijk verband bestond.
Grief 4.
Er is geen enkele grond om de overeenkomst voor dit deel te ontbinden.’